GESCHIEDENIS
|
1904 - 1905 - 1906 - 1907 - 1908 - 1909
|
HVO-Querido ontstaat in 1997 uit een fusie tussen stichting HVO en de prof. dr. A. Querido stichting,
respectievelijk maatschappelijke opvang en geestelijke gezondheidszorg.
We bestaan uiteraard al langer: Hulp voor Onbehuisden is in 1904 opgericht, RIBW Querido is sinds 1969 actief.
Hier onze geschiedenis, momenteel tot 1969.
Vanaf 1997 kunt u door onze jaarverslagen bladeren.
Kies een decennium of jaartal uit het menu hierboven.
Klik op de afbeeldingen in de tekst voor extra informatie en illustraties.
|
|
|
1904
Het echtpaar Jonker richt in 1904 in Amsterdam de vereniging Hulp voor Onbehuisden op.
Tjitte Jonker (Dokkum, 1866) meldt zich als 18-jarige bij het dan nog piepjonge Leger des Heils (opgericht in Engeland in 1865 en vanaf 1887 in Nederland actief) in Amsterdam.
Hier doorloopt hij diverse afdelingen en komt onder meer in Afrika terecht waar hij in gevangenissen werkt.
Via Madeira en Engeland komt hij terug in Nederland waar hij in 1898 trouwt met de heilsoldate Janetta Cornelia Clauzer (Den Haag, 1872).
Klik hier voor de stamboom van de Jonkers.
Het Leger des Heils is om onopgehelderde redenen tegen dit huwelijk en daarom treden beiden uit om bij de Toevlugt voor Behoeftigen
aan de Passeerdersgracht te gaan werken, een logement met gaarkeuken dat is opgericht door jonkheer Henry Tindal.
Weer later krijgen voeren zij vanaf 1897 de directie over de Amsterdamse afdeling van de Toevlucht voor Onbehuisden in een voormalige diamantslijperij aan de Zwanenburgwal.
De Jonkers krijgen echter moeilijkheden met het bestuur van deze vereniging en vertrekken in 1903 met een aantal
personeelsleden en "verpleegden," zoals bewoners/cliënten dan worden genoemd.
Op 12 september 1903 wordt het werk voortgezet met de opening van een onderkomen voor vrouwen en kinderen aan de
Bloemgracht 24 in Amsterdam, op 12 november van dat jaar gevolgd door de opening van een tehuis voor ±zestig "mannelijke zwervers"
alsmede een volkslogement en een gaarkeuken aan de Haarlemmer Houttuinen 15 met daarnaast, op nummer 13, een werkplaats.
De Jonkers willen echter meer. Zij willen een gedegen, breed verankerde organisatie opzetten en Jonker begint brieven te schrijven aan
tal van betrokken, welgestelde Amsterdamse burgers.
Aangezien ik mij gedrongen gevoel mijnen arbeid onder de onbehuisde mannen, vrouwen en kinderen voort
te zetten, is het noodzakelijk te trachten eene nieuwe vereeniging in het leven te roepen.
Het gaat Jonker om het verlenen van directe hulp aan dakloze mannen, vrouwen en kinderen.
In zijn brieven aan de gegoede burgerij van Amsterdam vraagt hij niet alleen om financiële steun maar ook hulp
bij het oprichten van een vereniging met een "degelijk en wettig bestuur".
Na veel aandringen zijn eind 1903 J.H. van Eeghen en
C.W. Janssen (succesvol zakenman en onder meer bestuurder van de in 1899 opgerichte
School voor Maatschappelijk Werk) bereid Jonker te helpen bij het oprichten van een nieuwe vereniging.
Zij schenken hem bovendien 2500 gulden voor de inrichting en huur van zijn eerste twee tehuizen:
de Bloemgracht voor vrouwen en kinderen zonder onderdak en de Haarlemmer Houttuinen voor de opvang van mannen.
De installatie op het stadhuis van de vereniging Hulp voor Onbehuisden vindt plaats op 21 juli 1904, een
goedkeuring bij Koninklijk Besluit volgt op 30 augustus 1904 en op 21 oktober van dat jaar is de eerste bestuursvergadering.
Het bestuur bestaat naast Van Eeghen en Janssen uit J.G. Schölvinck (voormalig wethouder),
A.J. Mendes da Costa (secretaris van het Portugees Israelietisch Kerkgenootschap en onder andere oprichter van de Nationale Vereeniging voor Armenzorg en Weldadigheid),
J.F.L. Blankenberg (Amsterdamse bankier en sinds 1900 onder meer hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Armenzorg),
W.H. van Zanten, C.H. Guépin en N.M. Josephus Jitta, de latere Amsterdamse wethouder van armenzorg.
Allen hebben ervaring in de armenzorg.
Uit de samenstelling van het bestuur kan worden opgemaakt dat de vereniging van neutrale signatuur is.
HvO is een organisatie op algemene grondslag.
In de statuten van 1904 staat het doel van de nieuwe organisatie helder omschreven:
De Vereeniging draagt den naam Hulp voor Onbehuisden. Zij is gevestigd te Amsterdam en stelt zich ten doel
in de gemeente Amsterdam aan hen die van huisvesting verstoken zijn tijdelijk onderkomen en
zoo mogelijk verdere hulp te verleenen tot het voorzien in eigen onderhoud.
De Vereeniging tracht hare doeleinden te bereiken door het beschikbaar stellen van lokalen waarin gelegenheid tot huisvesting
wordt gegeven en voeding wordt verstrekt hetzij om niet, hetzij tegen betaling van eene vergoeding, en voorts door
andere wettige middelen die aan het doel bevorderlijk kunnen zijn.
Hulp voor Onbehuisden is haar tijd vooruit wat betreft personeel en fondsenwerving.
In die tijd wordt armenzorg vooral gedragen door vrijwilligers, terwijl HvO betaald personeel in dienst heeft.
1905
In 1905 bestaat het personeel van HvO uit zeven mensen: een boekhouder, twee opzichters, een kantoorbediende en drie zusters.
En uiteraard de directie, het echtpaar Jonker, dat zich heel praktisch met het werk bezighoudt.
De heer Jonker met de mannen - hij bemoeit zich met de aanmelding, zoekt voor hen een betrekking en behartigt wat nu heet de public relations van HvO, mevrouw Jonker
met de vrouwen en kinderen.
Als particuliere instelling is Hulp voor Onbehuisden afhankelijk van de liefdadigheid van de burgers van Amsterdam.
Jonker houdt zich daarom van meet af aan intensief bezig met fondsenwerving.
Hij verspreidt enkele malen per jaar pamfletten waarin het werk van Hulp voor Onbehuisden wordt uitgelegd
en waarin hij om geldelijke steun vraagt.
Jonker vindt dat er voor daklozen een plek moet zijn waar ze terecht kunnen voor de nacht, zonder daarvoor eerst
arbeid te verrichten (zoals dan bij het Leger des Heils) of daarvoor te moeten betalen.
De daklozen van Amsterdam kunnen voor de oprichting van HvO 's nachts tegen betaling terecht bij het Leger des Heils,
bij talloze goedkope pensions of bij de politiebureaus, de oplossing die de gemeente biedt.
Vaker zijn ze echter op straat, in parken of onder bruggen te vinden.
In 1904 telt Hulp voor Onbehuisden al 31.665 verpleegdagen. De eenvoudige en bescheiden faciliteiten van HvO blijken dan ook al
snel ontoereikend te zijn.
De gemeente Amsterdam staat in 1905 het Oude Buitengasthuis in bruikleen af aan Hulp voor Onbehuisden voor een symbolische huur van 1 gulden per jaar.
HvO moet dit zogeheten Oude Pesthuys uit 1635 aan de Tweede Constantijn Huygensstraat wel zelf opknappen.
Om dit te bekostigen wordt op brede schaal hulp ingeroepen. Men houdt collectes - onder meer de zogeheten 100.000 kwartjes actie - en
bestuursleden verstrekken voorschotten.
Op 13 juni 1905 verhuizen als eersten de vrouwen en kinderen van de Bloemgracht naar het Oude Buitengasthuis.
1906
Begin 1906 nemen ook de mannen hun intrek in het Oude Buitengasthuis.
Volgens Jonker breekt er dan een heerlijke tijd aan: "Wij konden helpen naar hartelust en gedurende het jaar 1905
steeg het aantal verpleegdagen tot 53.070."
In het Oude Buitengasthuis beschikt Hulp voor Onbehuisden in één pand over een mannen-, vrouwen- en kinderasyl, een mannen- en vrouweninternaat, een baby-,
kleuter- en kinderafdeling en een hoofdkantoor. Directeur Jonker spreekt bij voorkeur van "ons groot gezin."
Daklozen die bij Hulp voor Onbehuisden terecht willen, moeten zich eerst melden bij de politie. Daar krijgen ze een kaart waarmee
ze zich bij het asiel (= nachtopvang) kunnen vervoegen. In het nachtasiel worden mensen eerst gereinigd, er wordt een nachthemd
verstrekt en men krijgt een gratis maaltijd en een bed. De volgende ochtend staat men weer op straat.
1907
Van het nachtasiel kun je maar een beperkt aantal nachten gebruik maken. Wie behoefte heeft aan opvang van langere duur, kan terecht
in een internaat. Hier worden daklozen geholpen bij het zoeken naar zelfstandig onderdak en werk.
Als tegenprestatie voor een verblijf in het internaat - en ook als therapie - moeten bewoners arbeid verrichten.
Mannen moeten werken in de afhaal- en sorteerdienst. Men haalt bij particulieren en bedrijven oude kleren,
meubelen, papier en andere bruikbare spullen op.
Dit levert de vereniging een aanzienlijke en geregelde bron van inkomsten op. Mannen kunnen ook als werkkracht worden uitbesteed,
waarvoor de opdrachtgevers Jonker betalen.
Vrouwen hoeven niet uit werken te gaan, maar moeten wel meehelpen in de huishouding van hun eigen vrouweninternaat.
Jonker richt een driemaandelijks tijdschrift
op waarin hij het werk van Hulp voor Onbehuisden onder de aandacht wil brengen van het Amsterdamse publiek.
Niet alleen om begrip te kweken, maar vooral ook om fondsen te werven.
Het HvO-blad verschijnt om de drie maanden en wordt "tegen eene contributie van 1,- per jaar geregeld toegezonden."
Het Algemeen Handelsblad schrijft op 11 juli 1907 een stukje over daklozen in de hoofdstad.
"Het is een heerlijke gedachte, dat geen zwerver in Amsterdam, ook al heeft hij geen cent op zak,
's nachts op straat behoeft te blijven. Een dak boven het hoofd, een bed en warm eten zijn te krijgen
voor wie niet dronken is, - zoolang er plaats is in het oude Buiten-Gasthuis."
Het artikel vervolgt over directeur Jonker: "die o.a. door zijn werken in toevluchten van het Leger des Heils en andere,
het volkje kent, dat voor een nacht bij hen aanklopt en die vele betrekkingen heeft, weet voor velen werk te vinden."
In 1907 is het aantal verpleegdagen van Hulp voor Onbehuisden 121.435.
1908
Op 23 april 1908 bezoekt Hare Majesteit de Koningin-Moeder Emma het Oud Buitengasthuis van Hulp voor Onbehuisden.
Jonker doet hiervan uiteraard verslag in zijn tijdschrift.
Deze dag zal door niemand onzer worden vergeten. Hoe vriendelijk was de hooge bezoekster. Voor ieder een woordje
en voor de kinderen was Zij als een moeder. Haar bezoek stemde dan ook allen tot vreugde en toen H.M. een gift achterliet om
al de verpleegden dien dag te onthalen, steeg de vreugde ten top. Het was een ware feestdag.
Wij hadden aan het inwendige van onze inrichting niets veranderd; trouwens hoe zou dat ook kunnen. Immers den nacht, aan
het bezoek voorafgaande, hadden ruim 400 mannen, vrouwen en kinderen onder ons dak gerust en om elf uur was het hooge bezoek
aangekondigd. Vooral in de afdeeling van de kleinen onder de drie jaar vertoefde H.M. een geruimen tijd.
Een lief klein meisje van 2½ jaar gaf hier een ruiker bloemen. Deze kleine blonde meid was nog maar enkele weken onder onze hoede en ik geloof
dat het aan de hooge gast een wonder had toegeschenen, wanneer wij hadden verteld dat deze kleine meid heel wat nachten op den
vloer had doorgebracht en ook reeds in een politie-bureau had geslapen.
In den kleinen-afdeeling was H.M. alleraardigst, toen Zij de bloemen liet ruiken en toen voor hen nieste. Ja, wij zijn de
Koningin-Moeder dankbaar voor haar bezoek. Het gold de armsten van onze groote stad.
Alle bladen schreven zeer vriendelijk over dit bezoek en over onzen arbeid.
Jonker vermeldt bovendien dat Hare Majesteit bij haar vertrek een genereuze gift achterlaat, met het uitdrukkelijke verzoek
de verpleegden daarvoor eens feestelijk te onthalen.
De zangverenigingen Adama van Scheltema, Maarten Luthe' en Goede Lof en Eer organiseren uitvoeringen ten bate van HvO.
Directeur Jonker spreekt op deze bijeenkomsten over het werk der vereniging.
Het kerstfeest in het Oude Buitengasthuis wordt door honderden mensen bijgewoond en is volgens Jonker een groot succes.
In 1908 start Hulp voor Onbehuisden met de exploitatie van het zogeheten volkshotel en café-restaurant De Hoop
met ruim zestig kamers aan de Warmoesstraat 158 in Amsterdam. De Hoop verstrekt "aan burgermenschen met zeer
kleine beurs een geschikt verblijf voor weinig geld."
Men adverteert met diners tussen de 1 gulden veertig en twee gulden, een lunch van 1 gulden 25 en dagschotels van 90 cent.
Jonker maakt zich in het HvO-blad druk om drankmisbruik: "Het grootste gedeelte van de mannen die als zwervers
bij ons aankloppen om hulp zijn door het misbruik van sterken drank zoo diep gezonken. Men komt dit ook zeer dikwijls
te weten door briefwisseling met hun familieleden. Welke treurige verhalen van ellende en schande hoort men dan!
Volgens mijn meening wordt het meer dan tijd, dat dit euvel krachtig worde bestreden."
In 1908 heeft Hulp voor Onbehuisden 35 medewerkers.
Het aantal verstrekte nachtverblijven is 140.845, gemiddeld 385 mensen per dag.
1909
Zodra een kind is opgenomen, wordt er werk van gemaakt dat het op school komt. Voor de meesten wordt een plaatsje gevonden op een van
de gewone lagere scholen in de buurt van het Oude Buitengasthuis.
Maar niet alle kinderen zijn geschikt voor het gewone onderwijs.
Voor hen richt Hulp voor Onbehuisden de interne binnenschool op.
De binnenschool telt gemiddeld twintig leerlingen.
Jonker geeft een impressie van deze binnenschool en haar leerlingen in zijn tijdschrift.
O, het is dikwijls zulk een dankbaar werk, dien verwaarloosden het eerste schoolonderwijs te geven.
Zij willen zoo graag en spannen hun uiterste krachten in om te leeren lezen.
Zulk een dankbare leerling is B. Hij is elf jaar en heeft in geen 4 jaar de school bezocht. Wat hij
vóór dien tijd geleerd heeft, was zeker niet veel; er was tenminste niets meer van over.
Hoe hij tot ons kwam kunt ge op de photo zien. Hoe onverschillig staat hij daar; hij is niet dankbaar,
dat men hen hier gebracht heeft, en liefst zou hij dadelijk weer wegloopen.
En nu? 't is dezelfde jongen niet meer. Wie hem nu op school ziet, gebogen over zijn werk, met lust
en ijver de eenvoudige woordjes schrijvend, zou hem niet meer herkennen. Hij is nog niet ver, maar
hij maakt goede vorderingen en leest reeds eenvoudige lesjes.
Hulp voor Onbehuisden laat in het tijdschrift van de vereniging een tijdlang series van twee foto's zien zoals hierboven, van kinderen voor en na opname,
dikwijls onder titels als voorheen
en thans,
verwaarloosd en
verzorgd,
3 jaar verwaarloosd
en 14 dagen na opname
of zooals ze kwamen
en zooals ze zijn.
Jonker vertelt in zijn tijdschrift bovendien hartverscheurende verhalen over de kinderen die bij Hulp voor Onbehuisden worden opgenomen.
Lees bijvoorbeeld het verhaal over de kleine Hendrikus en het "werk der liefde aan hem volbracht" in het maartnummer van het HvO-blad.
Daarnaast richt HvO voor de fondsenwerving een zogeheten Kinderhulpvereniging op, ter ere van prinses Juliana gebeurt dat officieel op 30 april.
Jongens en meisjes kunnen hier lid van worden en betalen jaarlijks 50 cent contributie. Daarnaast verplichten leden zich om van vrienden, familieleden
en bekenden wekelijks nog eens een bijdrage van 10 cent te vragen ten bate van HvO. In ruil hiervoor ontvangen de deelnemende kinderen een set van
50 prentbriefkaarten, "allen betrekking hebbende op onzen arbeid."
In 1909 worden het volkslogement en de gaarkeuken van HvO aan de Haarlemmer Houttuinen opgeheven.
In 1909 verstrekt Hulp voor Onbehuisden in totaal 147.946 verpleegdagen, gemiddeld iets meer dan 400 mensen per dag.
Op 31 december 1909 zijn er in het Oude Buitengasthuis 101 mannen, 30 vrouwen en 241 kinderen gehuisvest.
Dat is exclusief de asielgasten voor de nacht en de inwonende medewerkers.
|
|