GESCHIEDENIS
|
1910 - 1911 - 1912 - 1913 - 1914 - 1915 - 1916 - 1917 - 1918 - 1919
|
HVO-Querido ontstaat in 1997 uit een fusie tussen stichting HVO en de prof. dr. A. Querido stichting,
respectievelijk maatschappelijke opvang en geestelijke gezondheidszorg.
We bestaan uiteraard al langer: Hulp voor Onbehuisden is in 1904 opgericht, RIBW Querido is sinds 1969 actief.
Hier onze geschiedenis, momenteel tot 1969.
Vanaf 1997 kunt u door onze jaarverslagen bladeren.
Kies een decennium of jaartal uit het menu hierboven.
Klik op de afbeeldingen in de tekst voor extra informatie en illustraties.
|
1910
Op 30 april 1910 is er een bijeenkomst met een serie benefietconcerten ten bate van Hulp voor Onbehuisden in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt.
Onder de noemer "Ben ik mijn broeders hoeder?" laat Jonker in 1910 een piepklein boekje het licht zien
waarin hij het werk van Hulp voor Onbehuisden onder de aandacht brengt van de Amsterdamse bevolking.
Wil u aan de politie telefoneeren dat wij vol zijn mijnheer; met deze boodschap werd ik eenige
dagen geleden verrrast.
Vol dus, in ons huis geen bed onbezet. Ik ging toen informeeren hoeveel personen er 's avonds
na zeven uur nog gekomen waren en het antwoord op mijn vraag was 97 personen, waarvan 43 vrouwen en kinderen.
Wat waren dat voor personen?
Ziehier de vraag die mij bezighield. Vijf gezinnen waren dien dag op straat gezet door verschillende
huiseigenaren. Vier ten gevolge van huurschuld. Deze vijf moeders waren de bezitsters van 26 kinderen.
Ik ging de slaapzaal binnen waar deze ongelukkige kinderen waren en dacht onwillekeurig aan mijn eigen
kleinen die heerlijk en rustig in hun bedjes sliepen en toen gingen mijn gedachten naar de
twee-honderd-en-tachtig pleegkinderen die ook allen heerlijk warm en welgevoed in hun bedden lagen te rusten.
Wat een contrast! wat was er toch een enorme afstand tussen deze twee categoriën van kinderen, en toch
waren die allen in deze dieptreurige omstandigheden geplaatst buiten hun eigen wil of onafhankelijkheid van
een schuldige daad hunnerzijds. Toen kwam in die oogenblikken het opschrift van dit artikel in mijn gedachte
en ik behoefde niet lang op een antwoord te wachten, want terstond zeide ik met mijn gansche hart "ja",
het verantwoordelijkheidsgevoel kan niet worden onderdrukt. Ik ging, zooals ik zeide, de slaapzaal binnen waar
ik deze moeders met haar kroost zag en begon met iedere harer een gesprek.
De eene had acht kinderen, een man die verschrikkelijk dronk, bijna nooit werkte en als hij werkte, zorgde hij aleen
maar voor zich zelf. De moeder ging dus uit werken, om zoodoende in haar onderhoud en dat van har kinderen te voorzien.
Wat een treurige toestand; de moeder kon niet voldoende verdienen en toen had haar man haar verlaten om haar
met al de ellende alleen te laten staan.
Wanneer men nu deze geschiedenis oppervlakkig leest, dan komt er een neiging in ons op om te zeggen: eigen schuld.
Ja aan de zijde der ouders heel veel schuld, ten minste van den vader, maar die arme kinderen? zij kunnen toch
zeker niet worden beschuldigd. Zij leden gebrek en armoede en koude geheel onschuldig. Tegenover deze arme kleinen
hebben wij toch zeker onze verplichtingen.
Jonker acht het noodzakelijk aparte voorzieningen op te zetten voor jongens en meisjes die niet meer naar school gaan
en nog niet volwassen zijn, maar "de leiding misten die hen kon doen opwassen tot nuttige leden der maatschappij."
Jonker rechtvaardigt de oprichting van - uiteraard aparte - voorzieningen voor adolescenten als een kwestie van wat
wij heden ten dage preventiebeleid zouden noemen: "Deze arbeid is er dus een van voorbehoeding en zal in menig geval de
keten verbreken van heele geslachten die voorheen ten laste kwamen van de armenverzorging."
Hulp voor Onbehuisden pleit ook voor een huis "geheel afgescheiden van ons Oud-Buitengasthuis voor jongens die dreigen
te vallen en die reeds gevallen zijn."
In dit kader spreekt Jonker liever van liefde dan van tucht. En dan gaat het om: "Liefde in den hoogen zin van het woord
en die liefde is niet synoniem met femelarij noch met sentimentaliteit."
In mei 1910 opent Hulp voor Onbehuisden in Houten bij Utrecht, Jeanette-Oord, een tehuis voor meisjes. Aan dit tehuis,
gevestigd in het voormalige buiten Oud-Wulven, dat HvO koopt van de heer Ch. F. Testas, is ook een huishoudschool verbonden.
De meisjes van Jeanette-Oord - genoemd naar mevrouw Jonker - krijgen onderricht
in "wasschen, strijken, naaien, knippen, koken, kortom in alle mogelijke zaken die een meisje moet kennen om haar
eigen brood te kunnen verdienen en om later een flinke huisvrouw te kunnen zijn."
Met de opening van Jeanette-Oord komt HvO in de krant. In het huisorgaan citeert men met instemming uitgebreid uit
het Handelsblad, De Tijd ("een daad van goed inzicht en wijs beleid moet genoemd worden hetgeen door de
Amsterdamsche Vereeniging Hulp voor Onbehuisden thans is volbracht", De Standaard ("Hulp voor Onbehuisden,
welbekend onder rijk en arm in Amsterdam") het Utrechts Dagblad ("Met liefde spreekt de directeur over het schoone werk,
dat hij voor eenige jaren begon, en dat nu reeds zooveel en zoo mooi resultaat heeft gehad.").
In het huisorgaan van december verschijnt de illustratie 'Winter en werkeloosheid besluipen hun slachtoffers' van de later beroemde
politieke tekenaar Louis Raemaekers, op wiens hoofd de Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog een prijs zetten.
De uitgaven over 1910 bedragen 65.513,90½. Jonker vertaalt dit wat abstracte bedrag in het HvO-blad naar de menselijke praktijk van alledag.
12 centen per minuut van 1 Januari tot 31 December zijn noodig om de kosten te kunnen betalen; de kosten worden gemaakt in het belang van
zwervelingen, schipbreukelingen op de grote wereldzee, van ongelukkige en afgedoolde vrouwen, van verwaarloosde, van verlaten, van mishandelde,
van ongelukkige kinderen.
HvO verstrekt in 1910 in totaal 160.105 verpleegdagen, gemiddeld 438 mensen per dag.
1911
Op 24 december 1910 komt in Nederland de Reclasseringsregeling tot stand, een uitvloeisel van het inzicht dat een
goede nazorg een onontbeerlijke aanvulling is op de strafrechtpleging. Deze nazorg bestaat voor een groot deel
uit het werk dat Hulp voor Onbehuisden al jaren doet: het zoeken van onderdak en een wekkring.
In de Reclasseringsregeling wordt vastgelegd dat de reclassering weliswaar een taak is voor het particulier initiatief,
maar dat de overheid en een vergoeding tegenover stelt.
Dit betekent dat HvO van het ministerie van Justitie een vergoeding kan krijgen voor personen die ter reclassering
worden opgenomen. Op 13 juli 1911 besluit het bestuur dan ook dat Hulp voor Onbehuisden tevens een Reclasseringsvereniging wordt.
Dit werk bestaat niet alleen uit het verlenen van nazorg aan ontslagen gevangenen, maar ook uit het bezoeken van gevangenen (in Amsterdam,
Utrecht, Haarlem en Alkmaar) en het opnemen van voorwaardelijk veroordeelden die geen tehuis hebben.
In 1911 opent Hulp voor Onbehuisden een tehuis voor 36 oudere jongens. Eerst tijdelijk aan het Singel 471, vanaf 26 juni permanent aan de
Prins Hendrikkade 165 in Amsterdam. Deze jongens zijn klaar met de lagere school, tussen de 14 en 18 jaar, worden in het Jongenshuis opgeleid voor een ambacht en op die manier
voorbereid op een nuttig bestaan in de maatschappij, net als Hulp voor Onbehuisden met oudere meisjes beoogt met het tehuis
Jeanette-Oord in Houten.
Jonker rechtvaardigt het oprichten van aparte voorzieningen voor adolescenten aldus
Er is niet veel scherpzinnigheid of doorzicht noodig om te begrijpen, dat hier eene verandering geboedend noodzakelijk is.
Jonge mannen van 14 tot 18 jarigen leeftijd in voortdurende en uitsluitende aanraking te houden met volwassenen, wier
kleinste gebrek zwakheid van karakter is, mag voorzeker ten eenenmale on paedagogisch heeten.
In het maartnummer van het huisorgaan wordt een artikel overgenomen uit het populaire weekblad Het Leven
onder de titel 'Met den Amsterdamschen Sherlock Holmes op pad'.
De journalist maakt met 'rechercheur' Verbeek, een oud-politieman die nu in dienst is van HvO, een tocht
door de donkere krochte van nachtelijk Amsterdam.
Deze medewerker laat de schrijver een deel zien van "de ellende, die in het mooie Amsterdam wordt geleden -
ellende, voortkomend uit eigen schuld, maar ook, en dat is wel het treurigste van alles, uit niet af te wenden noodlot.
Wat we gezien hebben op dien dag, heeft ons diep getroffen, en we zouden wel willen, dat zeer velen dat zelfde eens konden zien,
de toevlucht in het oude buitengasthuis zou er zeker wel bij varen.
En meteen zou dan ook het vooroordeel dat bij te velen tegen deze zegenrijke inrichting helaas nog altijd bestaat, verdwijnen."
In 1911 herbegt HvO ook twee bijzondere gasten: papoea's die door hun impressario in Rusland zij verlaten, door de politie op transport
zijn gezet naar Duitsland en vandaar verder naar Amsterdam zijn gezworven.
Bij de nachtopvang voor zowel mannen als vrouwen, de 'nacht-asyls', wordt een nieuwe regel ingevoerd: wie geen inwoner is van Amsterdam, wordt nog maar drie dagen
geherbergd.
In 1911 is het aantal verpleegdagen en nachtverblijven bij HvO 170.191, gemiddeld zo'n 465 per dag.
Directeur Jonker adverteert met dit aantal ten behoeve van de fondsenwerving.
1912
Op 30 april viert HvO wederom een kinderfeest met de kinderhulpvereniging. In 1912 komen er maar liefst 1200 kinderen opdraven voor de festiviteiten
in het Paleis voor Volksvlijt.
Daags daarna geven de kinderen van Hulp voor Onbehuisden een voorstelling in de Hollandse Schouwburg,
uiteraard ook met het doel geld voor de vereniging in te zamelen.
Het dagblad De Telegraaf schrijft op 4 juni 1912 een aardig stuk over het Jongenshuis van Hulp voor Onbehuisden.
De heer Jonker uit 't oude Buitengasthuis, de man, die zoo langzamerhand aan elk rechtgeaard Amsterdammer bekend is geworden,
had ons verzocht het jongenshuis aan de Prins Hendrikkade 165 te komen bezichtigen. We togen er op uit, maar toe we bij 't opgegeven
nummer waren aangekomen. bleven we één oogenblik aarzelend staan.
Een jongenshuis, nietwaar, wekt onwillekeurig de gedachte op aan witgekalkte ramen en wat we hier zagen was
een deftige patriciërswoning met keurige gordijnen van af de vliering tot den kelder.
Bedenkend echter, dat bij den heer Jonker nu eenmaal alles mogelijk schijnt
te zijn, liepen we de hooge stoep op, belden aan en ja, we waren terecht.
In de gezellige huiskamer hebben we met den heer Jonker eenige oogenblikken zitten praten en daar van hem gehoord, dat een
tehuis voor de grootere jongens een dringende eisch was geworden.
Zoolang de kinderen nog beneden de twaalf jaar zijn, kunnen ze op de kinderzalen van 't oude Buitengasthuis worden
ondergebracht, daarna gaan de meisjes voor haar verdere opleiding naar Jeanette-oord, het groote buiten bij Utrecht,
maar met de jongens wist met feitelijk geen raad.
Ze aan de ouders terug geven beteekende in de meeste gevallen te niet doen wat na zwaren arbeid werd bereikt; ze op
de mannenzalen brengen, ging natuurlijk ook niet, daarom was uitbreiden de eenige oplossing.
Hulp voor Onbehuisden geeft de bijdrages van de "van dag tot dag schrijver" van het Algemeen Handelsblad
van oktober en november 1912 uit als apart boekje.
De schrijver van het Handelsblad uit zich zeer lovend over het werk van HvO (" Er is ongeveer geen Vereeniging, waarvoor
ik zoo hartelijk en eerbiedig sympathie gevoel") en citeert met instemming de Amerikaanse filantroop Harris:
"Helpt hen, die het kind onderbrengen en laven en steunen. Ieder kind kan een schakel zijn van een lange keten. Wie den eersten schakel opheft,
houdt de gansche keten wellicht uit het slijk."
Later in het jaar geeft HvO ook het door Jonker geschreven pamflet Stemmen uit de Diepte uit.
Op 7 en 8 oktober 1912 worden in het kader van de zogeheten Onbehuisden dagen collectes gehouden.
De reden van deze collecte is "de enorme omvang van onzen arbeid. Immers naar mate wij onze vleugelen hebben uitgeslagen, om armoede
te lenigen en te voorkomen zijn onze uitgaven gestegen. Vooral de verzorging van ruim 340 kinderen kost veel geld.
Dit geld werpt gelukkig hooge rente af, want het kind uit verwaarlozing en armoede door uwe hulp gebracht op een pad
van deugd en werkzaamheid is de beste en meest doeltreffende armverzorging."
Voor deze inzamelingsactie stuurt HvO ook een speciale brigade van jeugdige collectanten de straat op.
Later deze maand, van 21 tot 25 oktober, organiseert Hulp voor Onbehuisden een grote bazaar onder het motto 'Wat de liefde vermag' in de militiezaal Singel
bij de Heiligeweg. Een ieder wordt via het huisorgaan opgeroepen hiervoor "voorwerpen van smaak en nut" in te
zenden, dan wel loten te kopen.
Voor deze bazaar is een comité van aanbeveling opgericht van nette dames onder
voorzitterschap van mevrouw A.A. Roëll, de echtgenote van de burgemeester.
De inzameling levert ongeveer 15.000 gulden op.
In 1912 bedraagt het totaal aantal verpleegdagen en nachtverblijven bij HvO 179.793, gemiddeld 492 mensen per dag.
1913
In een publicatie uit 1913 getiteld Waarom men Hulp voor Onbehuisden dient te steunen? waarin Jonker onvermoeibaar
aandacht vraagt voor het werk en de noden van zijn vereniging, duikt voor de eerste maal een logo van HvO op.
Naast de lettercombinatie sieren de Andreaskruizen en de keizerskroon van Amsterdam het beeldmerk.
In dit geschrift zet Hulp voor Onbehuisden nog eens uiteen wat haar missie is. Men helpt
- den zwerver, de zwerfster en het zwervende kind
- de ongehuwde moeder met haar zuigeling, die nergens anders een toevlucht vinden kan
- den man en de vrouw die hun straftijd in een gevangenis of Rijks-Werkinrichting hebben doorgebracht en voor wie de terugkeer in de maatschappij zoo moeilijk is
- het verwaarloosde kind en het kind van den dronkaard
- het kind, ons toevertrouwd door Voogdijraden of Justitie
- het kind dat gedurende de ziekte der moeder zou verwaarloozen, omdat de vader er niet voor zorgen kan
- het huisgezin dat door werkeloosheid als anderszins de huur niet heeft kunnen betalen en daarom door den huiseigenaar uit de woning werd verwijderd
Hulp wordt dus verstrekt aan alle nooddruftigen en armen, die nergens anders geholpen kunnen worden.
Zij allen vinden zoolang er plaats is, een toevlucht in onze inrichting.
In het januarinummer van het geïllustreerd tijdschrift 'Hulp voor Onbehuisden' lijkt Jonker te tobben over het feit dat
hij steeds bij de lezers aan moet kloppen voor financiële steun
Vragen aan de levenden om een inrichting van liefdewerk in stand te houden. Alweer vragen; alweer voor de onbehuisden!
Misschien is er iemand die dit tijdschrift ter hand neemt en aldus denkt. Laat ik daarom trachten u duidelijk te maken waarvor ik vraag
en waartoe het geld, door u gegeven, dient.
Vervolgens noemt hij een voor een alle categoriën cliënten op die bij Hulp voor Onbehuisden onderdak vinden en vervolgt
En op dezen nieuwjaarmorgen zit ik teneer en overdenk waar onze Vereeniging alzoo voor te zorgen heeft.
Een huisgezin van ruim 600 personen, die elkenm dag moeten worden verzorgd, de afdeeling verzorging van gasthuis-gevallen die zoo
noodig moet worden uitgebreid. Jeanette-Ooord waar wij noodzakelijk een paviljoen moeten bouwen om meer meisjes te kunnen verplegen.
En dan ons nieuwe jongenshuis; nu reeds werden ons door Justitie jongens toevertrouwd die te jong zijn om naar het huis van bewaring
te worden overgebracht; jongens in de kinderjaren reeds zoo verdorven en toch zullen wij trachten door liefde hen te leiden.
Dit alles geeft mij stof tot ernstig denken.
Vragen aan de levenden! Mag ik dat dan bij dezen doen? en het is mij alsof van verre de stemmen tot mij komen die het antwoord mij
toefluisteren: ja! vraag met vrijmoedigheid voor de armen van de levenden, zij zullen u helpen de lasten en zorgen te dragen ook
voor dit pas begonnen jaar. In mij gedachten open ik reeds mijn postbus en dank u vriendelijk voor de nieuwjaarsgave per postwissel
of per brief ons toegezonden. Onze nooden zijn velen, maar uwe hulp was tot op heden altijd altijd trouw.
Hoewel de officiële oprichting van Hulp voor Onbehuisden in 1904 plaatsvindt, viert men - uitgaande van
de opening van het eeste pand aan de Bloemgracht - op 12 september 1913 het 10-jarig bestaan.
Hiertoe is een feestcomité opgericht van notabele Amsterdammers onder voorzitterschap van burgemeester Roëll en er verschijnt
een boekje getiteld Tien jaren arbeid onder de verstootenen over de prille geschiedenis van Hulp voor Onbehuisden.
Juist op die dag bezoekt Hare Majesteit de Koningin de hoofdstad. Het feest op het terrein van het Oude Buitengasthuis trekt
daardoor minder bezoekers dan verwacht.
"De groote drukte op straat op dien feestdag in de stad, drukte op de opkomst,
zoodat er niet zoo velen kwamen als op gerekend was en dat was jammer," schrijft Jonker in zijn blad.
Koningin Wilhelmina maakt dit echter nog hetzelfde jaar ruimschoots goed door op 24 oktober 1913 zelf op bezoek te komen
bij Hulp voor Onbehuisden en op 29 november 1913 het beschermvrouwschap der vereniging te aanvaarden.
Sindsdien prijkt op alle uitgaven van Hulp voor Onbehuisden: Beschermvrouwe H.M. de Koningin.
In het oktobermummer van het HvO-orgaan adverteert Jeanette Oord, het meisjeshuis te Houten, met fruit.
"De appelen en peren zijn van de bekende qualiteit. Perziken zijn hoogst fijn."
Het totaal aantal verpleegdagen/nachtverblijven dat HvO verstrekt, stijgt nog steeds. In 1913 is dit 181.990, gemiddeld bijna 500 mensen per dag.
1914
Op 20 mei 1914 opent Hulp voor Onbehuisden het zogeheten Observatiehuis, een voorziening voor tachtig
jongens aan de Vosmaerstraat 1 in Amsterdam. Het is een gebouw van de architect Jan de Meijer.
Dagblad Het Volk toont zich op 22 mei enthousiast over het bouwkundig ontwerp van het Observatiehuis.
In de volksmond wordt dit huis al snel 'het huis voor stoute jongens' of 'het tuchthuis' genoemd.
Peningmeester E. René van Ouwenhaller vergelijkt in zijn openingstoespraak het werk van echtpaar Jonker
met de voortgang van de spoorwegen. Hij haalt hiertoe de volgende anekdote aan over de uitvinder van de stoomlocomotief,
George Stephenson. Toen deze zijn moeder vroeg plaats te nemen in de eerste locomotief, weigerde ze en zei
"my boy, it will never go". Toen ze, overgehaald, in de eerste trein door het land snelde riep ze uit
"my boy, it will never stop".
Precies zo ziet de penningmeester het werk van Hulp voor Onbehuisden.
Hulp voor Onbehuisden verdeelt het Observatiehuis in twee groepen van elk veertig plaatsen.
Met de eerste veertig richt men zich op
1e. Jongens ons toegezonden door Voogdijraden, opdat wij na eenigen tijd van verpleging
den Voogdijraden kunnen adviseeren den jongen in gestichts- of wel in gezinsverpleging te doen opvoeden.
2e. Den jongen, die wegens het misdrijven van een strafbaar gesteld feit, eerlang terecht zal staan.
Hij is niet naar het Huis van Bewaring, en heeft, om met de volkstaal te spreken "een loopend proces".
3e. Den jongen die, indien ons huis niet bestond, preventief "gezet" zou worden. In plaats van de cel komt de
beschuldigde onder de beademing van de geest der liefde.
4e. Den jongen die bij rechtelijk vonnis ter beschikking is gesteld van de Regeering.
De overige 40 plaatsen zijn voor jongens die zijn ontslagen door reclassering en/of tuchtschool en voor
jongens waar de ouders of voogd geen raad mee weten.
Hoewel Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog niet deelneemt aan het krijgsgewoel, zijn er
wel degelijk gevolgen voor de armenzorg in Nederland in het algemeen en voor Amsterdam en Hulp voor Onbehuisden in het bijzonder.
Het uitbreken van de oorlog in augustus 1914 betekent mobilisatie, Belgische vluchtelingen, voedseltekorten en economische teruggang,
vooral voor Amsterdam als haven- en handelsstad.
HvO schetst in haar tijdschrift bovendien een penibele financiële situatie, want sinds "het uitbreken van deze wereldramp, hebben
uwe vrijwillige bijdragen opgehouden te vloeien."
Terwijl de vereniging wel wat ondersteuning kan gebruiken, want "het aantal dakloozen en hongerigen, die wij hebben moeten helpen, is veel grooter dan
ooit te voren en wanneer het Gemeentebestuur van Amsterdam ons niet direct had ter zijde gestaan, hadden wij reeds noodgedwongen onze deur moeten sluiten."
De gemeente Amsterdam verschaft in 1914 zowel een renteloos voorschot van 15.000 en een subsidie van 4.000.
Er wordt daarnaast op initiatief van koningin Wilhelmina het Koninklijk Nationaal Steuncomité opgericht om de
ergste nood te lenigen. Dit comité blijft ook na de oorlog bestaan.
De rol van de overheid hierin is groot, waardoor de opvatting dat de overheid in zulke situaties een taak heeft aan terrein wint.
Ook breekt steeds meer het besef door dat armoede niet louter een kwestie van "eigen schuld" is.
Koniningin Wilhelmina komt in 1914 opnieuw op bezoek bij Hulp voor Onbehuisden, dit keer in gezelschap van Z.K.H. Prins Hendrik.
De koningin komt vooral bezien hoe de centrale keuken van HvO de vele extra maaltijden bereidt en verstrekt.
Dit wordt mede mogelijk gemaakt door het Nationaal Steuncomité. Op hoogtijdagen gaat het hier behalve om maaltijden voor
het "eigen groot gezin" van Jonker om nog eens 1600 personen van buiten.
Jeanette-oord, het meisjeshuis in Houten, wordt op last van de militaire autoriteiten geëvacueerd.
"De militairen waren baas in huis, hof en bosch, boomen werden omgekapt, ons bosch is niet meer te herkennen.
Ja, wij hebben met weemoed die plek verlaten," verzucht Jonker in het HvO-blad.
De bewoners vinden tijdelijk onderdak in een pand aan de Voorstraat 38 in Utrecht.
Een groot probleem vormen de financiën. Meteen aan het begin van de oorlog bezuinigt de regering op verpleegsubsidies
en algemene subsidies en kondigt aan niet meer in het kersverse Observatiehuis te zullen plaatsen, terwijl de bouw van dit huis de
financiële positie van HvO juist flink heeft verzwakt.
Het Oude Buitengasthuis raakt overvol. Hulp voor Onbehuisden moet met het kantoorgedeelte uitwijken en vindt hiervoor in april plaats
op de Overtoom 135-137.
Voor de vele vluchtelingen in de stad richt de Commissie voor de Armenverzorging in de Stelling Amsterdam onder meer de Jan Pieter Heije-school
aan de Overtoom in. HvO is belast met de zorg voor de tijdelijk hier ondergebrachte vrouwen en kinderen.
Directeur Jonker vertelt in het tijdschrift van HvO dat hij vrijwel elke avond een ronde maakt langs de verschillende afdelingen van het Oud Buitengasthuis
en dan dikwijls versteld staat van de persoonlijke geschiedenissen van de verpleegden.
Wanneer deze kleine verhalen door een romanschrijver werden uitgewerkt en de betrokken personen gesproken en uitgehoord,
zouden zij zeker stof geven voor enkele boekdelen, die met graagte zouden worden gelezen. Maar wij lezen geen romans; wij sidderen
heel dikwijls reeds voor de naakte werkelijkheid.
In 1914 verstrekt HvO - zonder de extra inspanningen voor oorlogsvluchtelingen mee te tellen - in totaal 194.032 verpleegdagen annex nachtverblijven,
dat wil zeggen dat men gemiddeld voor 530 mensen per dag zorgt.
1915
Onder de titel 'Wat wij op één dag beleven' schetst directeur Jonker een rauw en vaak fel realistisch beeld van het dagelijkse werk van HvO.
In het volgende voorbeeld komt een vader zijn zeven kinderen bij Hulp voor Onbehuisden brengen.
"'t Verhaal is treurig, evenals zooveel anderen. Moeder is nar 't gasthuis gebracht, ziek, zenuwziek, uitgeput door zorg, angst, ontbering en ellende.
Vader bracht 't meest van zijn zuur verdiend geld naar de herberg, vertoefde daar 't meest van zijn vrije uren, met even ontaarde en ongelukkige kameraden."
Op 5 februari bezoekt koningin-moeder Emma het Oud Buitengasthis van HvO, op 19 maart gevolgd door prins Hendrik.
"Verscheidene van onze jongens zijn onder de wapenen moeten komen, nu ook de lichting 1915 is opgeroepen," verzucht HvO-directeur Jonker in 1915.
De gemeente Amsterdam zet de subsidie stop aan HvO omdat de de vereniging meer aan giften ontvangt dan in de jaren daarvoor.
Jonker maakt hier uiteraard bezwaar tegen. Zijn argument is dat Hulp voor Onbehuisden werk doet dat anders door de
gemeente gedaan zou moeten worden, zoals het verstrekken van nachtopvang.
Ook bij de politie kun je in 1915 nog terecht voor nachtopvang - in de zogeheten slaapbureaux, zij het in steeds mindere mate.
In 1904 verstrekt de politie 5.279 nachtverblijven tegen 31.665 door HvO, in 1915 verschaft de politie er nog maar 792 tegenover
de 202.829 van Hulp voor Onbehuisden.
In het oktobernummer van het tijdschrift 'Hulp voor Onbehuisden' schrijft Jonker: "Door onzen uitgebreiden arbeid onder de werkloozen
van Amsterdam, komen wij telkens in aanraking met een groot aantal jongens
tusschen den leeftijd van 14 tot 18 jaar, die, doordat zij geen vakkennis bezitten, telkens werkloos zijn."
Hij maakt de lezers warm voor zijn plan om deze jongens op te leiden "in den landarbeid en hen daardoor voor
ondergang te behoeden."
Niet alleen verwacht HvO veel heil "te gevolge van de overplaatsing uit de sombere achterbuurtswoning naar de heerlijke heide,"
men ziet op deze manier voor de jongens ook een toekomst in Nederland of overzee in onder meer Canada, Amerika of Zuid-Afrika.
Hier komt Jonkers bekendheid met onder meer de Engelse commisioner voor Australië goed van pas, deze belooft HvO overtocht en plaatsing
van jongens die zijn onderlegd in de landbouw.
"Mijn vertrouwen in uwe offervaardigheid heb ik nog niet verloren, alhoewel ik in het laatste jaar toch niet over u tevreden ben,"
schrijft Jonker in oktober 1915 terwijl hij uitlegt dat de vereniging meer mensen moet helpen, dat alles door de oorlog duurder is geworden,
dat HvO kortom geld nodig heeft. Hij besluit met een dringend advies: "Nu niet uitstellen, niet denken een ander zal wel wat zenden.
Neen, gij, vriend of vriendin der armen, van u verwachten wij een bijdrage naar uw vermogen."
OP 18 oktober 1915 houdt HvO een bazaar
om geld in te zamelen voor de vereniging in een zaal aan de Heiligeweg 26.
Tegen het eind van 1915 laat Hulp voor Onbehuisden het eigen tijdschrift vaker verschijnen, men spreekt nu van een geïllustreerd maandblad.
HvO sluit het jaar af met een tekort van 27.357,63. Men wijt dit voornamelijk aan de prijsstijgingen ten gevolge van de oorlog
en de uitbreiding van de werkzaamheden.
In 1915 verstrekt HvO in totaal 202.829 nachtverblijven/verpleegdagen, gemiddeld 555 mensen per dag.
1916
Terwijl de legers van Engeland, Frankrijk en Duitsland in de loopgraven van het westelijk front in een uitzichtloze uitputtingsslag zijn verwikkeld,
wordt Nederland op 13 en 14 januari 1916 getroffen door een watersnoodramp.
Jonker memoreert het in zijn jaarverslag over 1916. Er vallen niet alleen slachtoffers, de overstroming levert de hoofdstad ook een nieuwe stroom vluchtelingen op,
deze keer niet uit het door oorlog verscheurde België maar voornamelijk uit de ondergelopen polders van Noord-Holland.
"Dit gaf aan ons personeel terstond handen vol werk", vervolgt de directeur, niet in de laatste plaats omdat zowel hij als zijn vrouw in het
Amsterdamsch Watersnood-Comité zitten.
De Monnickendammerer J. Veltrop, geboren in 1898, herinnert zich de watersnoodramp van 1916 wanneer hij
met een andere opgeschoten jongen én een koppel van 50 koeien op avontuur gaat naar Amsterdam.
"In enkele gebouwen waren provisorisch slaapplaatsen gemaakt onder leiding van de bekende heer Jonker,
directeur van de Stichting Hulp voor Onbehuisden. We kregen eerst koffie en brood en trokken daarna
doodvermoeid de paardendekens over ons heen. De volgende morgen was het vroeg op om de dieren
te voeren met hooi en veekoeken."
In het jaarverslag schetst Jonker een beeld van de mannelijke cliëntèle van HvO:
"Velen hunner toch kwamen door drankmisbruik ten val en zijn door jarenlang zwerven aan allen geregelden arbeid ontwend en het
is lang geen gemakkelijke taak hen van deze ongewenschte levenswijze af te brengen. Een inrichting als de onze moet dan ook een hooger
doel hebben dan hen eenigen tijd te verplegen, hun lichaam goed te voeden en hen van de noodige kleeding te voorzien. Gaan zij daarna
weer hun vroegeren weg, dan is ons doel niet bereikt. Eerst dàn kunnen wij voldaan zijn, als zij na eenigen tijd van verpleging
tot een geregeld en arbeidzaam leven in de maatschappij terugkeeren."
De directeur van HvO betreurt het feit dat er onder deze doelgroep sprake is van een relatief grote uitval
(verwijderd wegens wangedrag of met onbekende bestemming vertrokken) en pleit voor meer dwangmaatregelen.
Uiterard doelt hij hier op het soort dwang dat "hand aan hand gaat met liefde" en mag welke maatregel dan ook voor de betrokkene
"nooit anders beoogen dan zijn eigen reclasseering."
De gemeente Amsterdam houdt zich vanaf 1916 actief bezig met gezinnen in de problemen die zichzelf niet kunnen handhaven,
de zogeheten onmaatschappelijke gezinnen.
Hulp voor Onbehuisden dringt er bij monde van Jonker dan al tijden op aan deze situatie aan te pakken.
Jonker gaat er van uit dat de problemen van de cliënten van HvO grotendeels worden veroorzaakt door hun
slechte levensomstandigheden. Door deze omstandigheden te veranderen kan men voor volwassenen de situatie verbeteren
en voor kinderen problemen zelfs voorkomen. Jonker noemt dit omstandig "prophylactische philantropie."
Ik weet wel dat er menschen zijn die zeggen dat men zorgelooze ouders maakt door hen de kinderen te ontnemen.
Ik doe U echter de vraag: hebben die ouders ooit gezorgd, hun kinderen oopgevoed hebben ze nooit.
Laat ons dan een rekensom maken. Een ouderpaar levende op de onderste lagen heeft 6 kinderen, 3 jongens en 3 meisjes.
Wanneer deze kinderen onder hun slechte leiding blijven dan geeft dit voor de toekomst zes, zegge 6 gezinnen meer op
de onderste lagen want zij allen huwen of leven als gehuwd met hun mede lotgenooten. Ontneem nu aan dat ouderpaar de
zorg over deze 6 kinderen. In een betere omgeving overgeplant leeren zij werken. In de toekomst zal dus de maatschappij
zes nette gezinnen tellen, want ook zij zullen huwen met soortgenoten. Waarmee is dan de maatschappij het best gebaat?
Onder de noemer 'Nootjes van den Hoofddirecteur' schrijft Jonker in elke aflevering van het tijdschrift 'Hulp
voor Onbehuisden' korte mededelingen en faits divers. In een van zijn oproepen vraagt hij of er mensen zijn die
buiten Amsterdam wonen en zo nu en dan een paar bleekneusjes te logeren willen hebben, kinderen uit de stad die moeten
aansterken in een schone en gezonde omgeving. Zijn oproep wordt ruimschoots gehonoreerd.
Door opnieuw een gift van een weldoenster (mejuffrouw Manus) komt Hulp voor Onbehuisden in 1916 in het bezit van een huis met een ruime tuin aan de Brinkersweg in Nunspeet,
dat wordt ingericht als herstellingsoord. Zwakke kinderen kunnen hier in de gezonde buitenlucht een maandje
op krachten komen. Het huis biedt plaats aan 14 kinderen. Jaarlijks verwacht de vereniging zo'n 150 kinderen in Nunspeet te kunnen laten 'kuren'.
HvO verstrekt in 1916 dagelijks zo'n 4.500 boterhammen. Men richt daarom zelf tijdelijk een bakkerij in en neemt een heuse chef bakker in dienst.
In 1916 viert men op gepast sobere wijze het 12½-jarig bestaan van Hulp voor Onbehuisden, onder andere
met de opvoering van de operette De Sneeuwkoningin in het Paleis voor Volksvlijt,
met plaatsen van 2,40 voor de loge tot 40 cent voor de galerij.
Hulp voor Onbehuisden sluit het jaar af met een nadelig saldo van 26.259,67.
HvO begint 1916 "met een huisgezin van 516 personen, ons personeel niet meegerekend", aldus Jonker.
Gedurende het jaar worden in totaal 210.143 nachtverblijven c.q. verpleegdagen verstrekt, gemiddeld zijn er dagelijks 575 mensen in zorg.
1917
Vanaf het onstaan van Hulp voor Onbehuisden bestaat er een zekere spanning in de verhouding tussen het bestuur
en de directie. Jonker is wat men noemt een krachtige persoonlijkheid en het bestuur is niet bij machte zijn
lust tot uitbreiden te beteugelen.
Het bestuur probeert lange tijd tevergeefs om een adjunct-directeur aan te stellen, maar Jonker is niet bereid
om verantwoordelijkheid af te staan.
Al in 1913 vraagt Jonker het bestuur om een instructie waaruit blijkt welke handelingen hij mag verrichten
en wat de rechten en plichten van respectievelijk bestuur en directie zijn. Drie heren - Blankenberg, Van Ouwenaller
en Guépin - nemen de taak op zich de rolverdeling vast te leggen om wrijvingen en geschillen te vermijden.
Deze commissie komt tot de conclusie dat het een fictie is te veronderstellen dat het bestuur de vereniging
bestuurt. De leiding berust bij Jonker, en bij elke directeur na hem, omdat dit naar hun mening nu
eenmaal niet door een aantal mensen kan gebeuren "maar uitsluitend door één daartoe geschikt persoon."
Vanaf 1916 beheerst de kwestie van het Observatiehuis de verhouding tussen bestuur en directie.
Dit wordt mede veroorzaakt door een te lage bezetting en te hoge kosten, maar vooral door de invloed van
buitenaf op het werk van Hulp voor Onbehuisden.
Jongens worden in het Observatiehuis geplaatst door de officier van justitie. Ambtenaren van Pro Juventute maken rapporten
over jeugdigen voor de officier van justitie en willen een vrije toegang tot het Observatiehuis. Jonker weigert. Hij ziet de taak van Hulp voor Onbehuisden
worden uitgehold.
Wij worden nu slechts opsluiter van den jongen, in plaats dat wij zijn de vriend en opvoeder. Dit is nooit de
bedoeling geweest en nu dient men het programma de Vereeniging uit te breiden door eene juridische afdeeling aan
ons te verbinden. Daardoor zal men in staat zijn de belangen van deze kinderen goed te behartigen. Wij worden zijn
patroon en hopen zijn vriend te worden voor geheel zijn leven. Dan alleen kunnen al de zorgen die aan zijn vorming
worden gevoegd, goede resultaten hebben.
De officier van justitie beschouwt het Observatiehuis als een Huis van Bewaring en eist vrije toegang
voor zijn ambtenaren. Jonker beschouwt het Observatiehuis daarentegen niet als een rijksinrichting, maar
een particuliere instelling voor liefdadigheid. Als de officier vervolgens geen jongens meer naar het Observatiehuis
stuurt, vindt het bestuur van HvO dat Jonker de samenwerking met Pro Juventute moet accepteren. Jonker legt zich
hier onder protest bij neer.
In 1917 wordt er een nieuwe voorzitter van het bestuur van Hulp voor Onbehuisden gekozen, K. van Lennep.
1918
Al in 1915 maakt Hulp voor Onbehuisden een begin van een zogeheten landbouwkolonie voor jongens, de architecten Jan de Meijer en E.P. Messer (het duo dat eerder voor HvO het Observatiehuis ontwerpt)
maken een schets
en een gulle gever heeft Hulp voor Onbehuisden alvast 10 hectare land geschonken in Friesland, nabij Appelscha, toentertijd een half uur gaans van de Drentse Hoofdvaart.
De vereniging heeft grootse plannen: men wil maar liefst zes paviljoens bouwen voor 120 jongens, een directeurswoning, een boerderij,
stallen, weg- en watervoorzieningen en een ontspanningslokaal. Voor geheelonthouders, uiteraard.
Het geheel wordt geraamd op 160.000 gulden.
Jonker beseft dat HvO wellicht het tij tegen heeft voor zulke ambitieuze plannen, maar is toch optimistisch gestemd, want "Zou het niet heerlijk zijn
dat juist in dezen tijd van vernietiging Nederland een werk deed ter opbouwing en behoud?"
In 1918 worden de eerste en enige gebouwen van het noordelijke avontuur van HvO opgeleverd: de landbouwkolonie voor jongens in het Friese Appelscha
en het ontspanningslokaal in het Drentse Hoogersmilde, ongeveer twee kilometer verderop. De gebouwen - die duidelijk in dezelfde stijl zijn opgetrokken -
zijn met een spoor voor een lorrie met elkaar verbonden.
Behalve om werkervaring op te doen en als tijdelijke woonruimte wordt het terrein door de Amsterdamse afdelingen van HvO ook gebruikt als vakantieoord.
In 1929 eindigen de activiteiten van Hulp voor Onbehuisden in Friesland en Drenthe.
De beide gebouwen staan er anno 2008 nog steeds. Klik op de foto's hiernaast voor een beeld van de huidige situatie.
Hulp voor Onbehuisden richt in 1918 aan de Waldeck Pyrmontlaan 8 in Amsterdam
een eigen opleidingsschool op om het personeel van de vereniging beter voor te bereiden op de toekomst.
"Willen wij in staat zijn ons werk goed te doen en aan al de eischen
die men tegenwoordig aan de opvoeding der jeugd stelt voldoen dan is opleiding noodig."
Deze interne HvO opleidingsschool vlakbij het Vondelpark wil vooral jonge meisjes geschikt maken voor "praktisch maatschappelijk werk in onze
inrichtingen en misschien ook voor andere instellingen."
Het curriculum bestaat uit: algemene ontwikkeling, huishouding, handwerken, lichamelijke verzorging van het kind,
pedagogiek, zang, fröbelen, slöjd (Zweeds, een onderwijsmethode die zich de alzijdige ontwikeling van het kind
ten doel stelt en deze tracht te bevorderen door het kind te laten werken met karton, klei en hout, aldus Van Dale),
spelleiding, sociale wetten en voordrachten.
De school biedt plaats aan tien leerlingen.
Daarnaast wil Jonker met zijn school de deskundigheid van het personeel dat reeds bij HvO werkt vergroten
door het laten houden van voordrachten "op verschillend gebied opdat den blik dien wij zullen krijgen op de
sociale toestanden niet eenzijdig worde. Het zullen altijd onderwerpen moeten zijn die ons beter geschikt
maken voor onze taak."
HvO koopt in 1918 het perceel aan de Prins Hendrikkade 166 dat naast het al sinds 1911 bestaande Jongenshuis ligt
en verdubbelt daarmee bijna de capaciteit van deze voorziening.
1919
Op 31 januari 1919 schrijft het Nieuws van de Dag over het toenemend aantal bedelende kinderen in de straten van Amsterdam,
ondanks de instelling van kinderwetten en voogdijraden. De krant vraagt zich af of er niet iemand is die zich deze problemen aantrekt en aan wil pakken
en geeft zelf het antwoord al, die iemand "met al het gezag van zijn goeden naam" is Jonker, hoofddirecteur van Hulp voor Onbehuisden.
"Geen mensch in de stad die hem niet kent. Ieder heeft van hem gehoord, maar helaas, niet steeds is naar hem voldoende geluisterd. Wij zouden
al een eind op den goeden weg zijn als men dat gedaan had."
"Men zou waarlijk wenschen millionair te zijn om tot den heer Jonker te zeggen: 'Meneer Jonker, ik sta u borg. Laat eens zien wat gij kunt'"
besluit het Nieuws van de Dag.
Vanaf 1919 heet het kwartaaltijdschrift van HvO niet langer net als de vereniging Hulp voor Onbehuisden, maar heel serieus en stemmig
Stemmen uit de Diepte, nu opgezet als een geïllustreerd maandblad.
De top van HvO werkt tijdelijk op stand: het hoofdkantoor wordt in 1919 verplaatst van de Overtoom naar de Keizersgracht 152.
Hulp voor Onbehuisden vraagt mensen lid van de vereniging te worden. Per jaar kost dit vijf gulden, maar je kunt ook voor minder lid worden:
2 gulden 50 voor een halfjaar, 1 gulden 25 per drie maanden of 50 cent per maand.
Het bestuur van de vereniging benoemd een commissie die probeert het Observatiehuis - dat zwaar op de begroting drukt - te verkopen
of in een aparte rechtspersoon onder te brengen. Men onderhandelt onder meer met het Ministerie van Justitie over een overname.
Tevergeefs, na jaren geeft deze commissie in 1922 haar pogingen tot verzelfstandiging van het Observatiehuis op. De voorziening
blijft nog tot in de jaren vijftig onderdeel van HvO.
De interne gevoeligheden over deze kwestie blijven overigens onverminderd van kracht. Zo zet de trotse en onvermurwbare Jonker na 1919 nooit
meer een voet in het Observatiehuis.
In 1919 koopt en verbouwt HvO het perceel Prins Hendrikkade 166 dat naast het Jongenshuis op nummer 165 ligt. Dit geeft ruimte voor uitbreiding van dit huis.
In het jaarverslag over 1919 schrijft Jonker dat "Amsterdam niet buiten Hulp voor Onbehuisden en Hulp voor Onbehuisden niet buiten den steun der Amsterdammers kan."
Dat valt niet bij alle lezers goed en de directeur moet rectificeren, "immers is onze Vereeniging niet alleen een stads- maar ook een landsbelang geweest."
Het jaarverslag geeft een overzicht van alle afdelingen van Hulp voor Onbehuisden:
- De interne mannen- en vrouwenafdelingen, Oud Buitengasthuis, 87 mannen en 45 vrouwen
- De interne kinderafelingen, Oud Buitengasthuis, 377 kinderen
- Herstellingsoord te Nunspeet, 20 kinderen
- Meisjeshuis Jeanette Oord in Houten, 26 meisjes
- Jongenshuis Prins Hendrikkade, 46 jongens
- Jongenshuis Friesland, (geen cijfers)
- Het Observatiehuis, 159 jongens
- Geheelonthoudershotel De Hoop, (geen cijfers)
- Opleidingsschool, 7 leerlingen
In 1919 verstrekt HvO in totaal 285.721 nachtverblijven en verpleegdagen, gemiddeld 782 per dag.
|
|
|