webmail home




GESCHIEDENIS



1904-1910 1910-1920 1920-1930 1930-1940
1940-1950 1950-1960 1960-1970 1970-1980

1920 - 1921 - 1922 - 1923 - 1924 - 1925 - 1926 - 1927 - 1928 - 1929


HVO-Querido ontstaat in 1997 uit een fusie tussen stichting HVO en de prof. dr. A. Querido stichting, respectievelijk maatschappelijke opvang en geestelijke gezondheidszorg. We bestaan uiteraard al langer: Hulp voor Onbehuisden is in 1904 opgericht, RIBW Querido is sinds 1969 actief.
Hier onze geschiedenis, momenteel tot 1969. Vanaf 1997 kunt u door onze jaarverslagen bladeren.

Kies een decennium of jaartal uit het menu hierboven.
Klik op de afbeeldingen in de tekst voor extra informatie en illustraties.





1920

De economische situatie van Amsterdam verbetert direct na de Eerste Wereldoorlog. Zij verslechtert echter zodanig in 1920 dat er sprake is van een crisis. Historici spreken later van "zeer zware jaren voor brede lagen van de Amsterdamse bevolking."

Deze crisis gaat niet aan Hulp voor Onbehuisden voorbij. Daarom doet het bestuur opnieuw een beroep op de gemeente. In een voordracht van B&W wordt de raad aangespoord in te stemmen met een subsidie van 120.000 gulden.
De werkzaamheden door de vereeniging Hulp voor Onbehuisden verricht, achten wij van zeer groot maatschappelijk belang. Zoowel aan de gemeentelijke politie als an de gemeentelijke armenzorgwordt door den arbeid dezer vereeniging veel werk uit handen genomen, weshalve zij o.i. in beginsel, ook nu de oorlogstoestand heeft opgehouden te bestaan, voor blijvenden steun van gemeentewege in anmerking behoort te worden gebracht. Ter nadere vaststelling van het bedrag, tot hetwelk het verleenen van subsidie gewettigd moet worden geacht, hebben wij een onderzoek naar den geldelijken toestand der vereeniging ingesteld.
Uit dit onderzoek van de gemeente blijkt dat Hulp voor Onbehuisden in 1920 ƒ120.000 tekort zal komen. Hierbij is al rekening gehouden met te verwachten inkomsten van ƒ100.000 uit particuliere giften.

Jonker vraagt in zijn blad 'Stemmen uit de diepte' opnieuw aandacht voor de verwaarloosde gezinnen in de stad, in zijn ogen een onderbelichte categorie binnen de armenzorg. Jonker noemt dit 'Neerlands donkere vlekken.'

"Telkens, wanneer ik in aanraking kom met de gezinnen waar de kinderen door de ouders worden verwaarloosd, is de vraag naar voren gekomen: Is eigenlijk het geheele gezin niet lijdende aan verwaarlozing?
De tweede vraag komt dan onwilekeurig over de lippen: wat heeft tot deze algemeene verwaarlozing geleid, met andere woorden 'wat is daarvan de oorzaak?' In ons maandblad Stemmen uit de diepte van maart 1919 heb ik getracht enkele zeer tastbare oorzaken te noemen. Om nu den lezers van dit nummer een juist beeld te geven van hetgeen ik onder verwaarloosde gezinnen versta, wil ik gaarne enkele schetsen geven, waaruit het hun duidelijk zal worden.
Er zijn verschillende oorzaken die tot verwaarlozing van het gezin leiden, maar de voornaamsten zijn wel: dronkenschap, luiheid, vervuiling, bandeloosheid, onverschilligheid en het ontbreken van alle verantwoordelijkheidsgevoel."

Jonker maakt zich kwaad over de ellendige woonomstandigheden waarin een aanzienlijk deel van de stedelijke onderklasse moet wonen ("krotwoningen, die zijn er in de groote steden helaas nog velen") en probeert zijn lezers enthousiast te maken voor de stichting van enkele gezinstehuizen.
De plannen en bouwtekeningen liggen al klaar. Hulp voor Onbehuisden behoeft alleen nog financiering van dit project. Men roept rijk, gemeente en particulieren op hiervoor de handen ineen te slaan.

Het Vaderland haalt op 17 juli 1920 met instemming deze plannen van HvO aan: "De heer Jonker heeft dezer dagen een geschrift uitgegeven, dat o.i. in hooge mate de aandacht zal trekken, niet alleen om de inhoud, maar vooral ook, omdat hij, de man van ervaring, de schrijver is." De HvO-directeur kent immers "als slechts weinigen de ellende van deze misstand, " aldus Het Vaderland.

Uitbreiding is er in 1920 ook buiten Amsterdam. Het tehuis voor meisjes in Houten bij Utrecht viert dit jaar haar tweede lustrum.

Bovendien wordt op hetzelfde terrein, het voormalige buiten Oud Wulven, het zogeheten Folmina-paviljoen opgeleverd en officieel geopend op 22 oktober 1920, door de heer Mendes da Costa, secretaris van de Portugese Gemeente in Amsterdam en bestuurslid van Hulp voor Onbehuisden.
Zowel het Utrechts Dagblad, het Algemeen Handelsblad, het Nieuws van de Dag als De Standaard doen verslag van de opening van Folmina.

Het Folmina-paviljoen, genoemd naar de moeder van mede HvO-oprichter C.W. Janssen, is gefinancierd uit een legaat en biedt plaats aan veertig kinderen - jongens en meisjes - "die den leerplichtigen leeftijd nog niet hebben overschreden" en over wie Hulp voor Onbehuiden de voogdij voert.

Hoofddirecteur Jonker legt in zijn openingstoespraak uit wat Hulp voor Onbehuisden te zoeken heeft buiten Amsterdam:
Het is ongeveer 12 jaar geleden dat mijn vrouw en ik tot de conclusie kwamen, dat wij in het Buitengasthuis te Amsterdam geen plaats meer hadden voor meisjes boven den schoolleeftijd. Wij stonden toen voor de lastige vraag òf de meisjes te weigeren, òf ze onder te brengen in de afdeling 'Vrouwen' van het Buitengasthuis.

Nu deed zich dit bezwaar voor, dat de vrouwen, die daarin verpleegd worden, bijna allen een verleden hadden; enkelen hadden kennis gemaakt met de Justitie, en anderen hadden een dusdanig leven geleid, dat het niet wenschelijk zou zijn, dat de meisjes daar kennis van kregen.
Zij zouden dan, voordat zij water zagen, al verdronken zijn.
In 1920 verstrekt Hulp voor Onbehuisden in totaal 301.626 verpleegdagen, dat is gemiddeld aan 827 personen per dag.



top


1921

Op maandag 12 september schrijft Frederik van Eeden is zijn dagboek: "Ik sprak nu met Truida oover mijn idee om broeder te worden in het klooster. Pater kan ik nooit worden. Misschien wel broeder. Vroeger dacht ik aan Jonker, in 't toevluchtshuis voor onbehuisden. Maar daar is geen boovennatuurlijk leeven."

Op 15 december 1921 overlijdt mevrouw J.C. Jonker-Clauzer, oprichtster en hoofd-directrice van Hulp voor Onbehuisden op 49 jarige leeftijd.

Bestuurslid E. René van Ouwenaller haalt herinneringen aan haar op in een In Memoriam in het huisorgaan Stemmen uit de Diepte.
Het is een gewone maandagmorgen in het kantoor van Hulp voor Onbehuisden in het Oud Buitengasthuis.
Een druk heen- en weerlopen, veel menschen en velerlei belang op dien morgen en trouwens gedurende den geheelen dag. En dan in den loop van den morgen kwam Mevrouw Jonker met haar notitieboekjes binnen, reeds had zij allerlei afgehandeld, zij moet inlichtingen inwinnen, zij moet op tal van vragen antwoorden. Veel tijd kan zij zich niet gunnen, want de dokter vraagt haar tegenwoordigheid bij zijn rondgang in de kinderafdeeling, bij het bezoek aan den zieken.
Van Ouwenaller roemt haar toewijding, haar weldadige vriendelijkheid, haar woorden van vertroosting en haar werklust.
Hij benadrukt dat zij zich altijd grote zorgen heeft gemaakt over het wel en wee van bewoners en zich het hoofd blijft breken over de financiële positie van HvO. Het heeft veel van mevrouw Jonker gevergd. "En dan telkens de reizen naar Jeanette-Oord, naar Nunspeet en naar elders!"
"Mevrouw Jonker behoort tot die gelukkigen die door de bewondering der wereld niet zijn bedorven," besluit Van Ouwenaller zijn herdenking.

Mevrouw Jonker wordt onder grote publieke belangstelling begraven op Zorgvlied.



top


1922

Op 6 juli 1922 overlijdt Tjitte Jonker. Daarmee is Hulp voor Onbehuisden in korte tijd zowel haar oprichters als directie kwijt.

Bij de begrafenis van mevrouw Jonker was al sprake van grote publieke belangstelling en waren veel prominenten aanwezig. De uitvaart van de heer Jonker wordt een nog grotere manifestatie van respect voor de man die zoveel voor Amsterdam heeft betekend.
Volgens burgemeester W. de Vlugt is het nieuws van de dood van Jonker "met de snelheid van het licht" door de stad gegaan.

Vrijwel alle dagbladen besteden veel aandacht aan het overlijden van het echtpaar Jonker en schrijven lovende woorden over hun werk. Opvallend genoeg wordt veel nadruk gelegd op de godsdienstigheid en godsdienstvrijheid van de Jonkers.

Zo schrijft het tijdschrift De katholieke vrouw over mevrouw Jonker: "Zelf niet van onze godsdienst zijnde, was zij een zeer geloovige en zeer vroome vrouw en heeft zij steeds zooveel in haar vermogen lag er voor gezorgd dat de katholieke kinderen die in Hulp voor Onbehuisden waren opgenomen hun geloof konden uitoefenen."

Bestuurslid Mendes da Costa spreekt tijdens de begrafenis van Tjitte Jonker op Zorgvlied lovende woorden en benadrukt opnieuw de religieuze ruimdenkendheid van het echtpaar: "Voor Jonker waren alle godsdienstige gezindten volkomen gelijk en hij zag er op toe dat iedereen zijn godsdienstplichten kon uitoefenen."

Het bestuur van Hulp voor Onbehuisden staat er alleen voor in het beheer van de organisatie en gaat op zoek naar een nieuwe hoofddirecteur. Men kiest hiertoe uit drie kandidaten in november 1922 Gradus Hubertus Honing, oud legerofficier en wiskundeleraar en op dat moment directeur van het rijksopvoedingsgesticht in Leeuwarden.
Honing gaat in januari 1923 aan de slag.

In 1922 verstrekt HvO in totaal 279.407 verpleegdagen/nachtverblijven, dat betekent de dagelijkse zorg over gemiddeld 765 mensen.



top


1923

Directeur Honing krijgt van het bestuur van Hulp voor Onbehuisden de opdracht om het werk van Jonker in stand te houden.
Dat betekent in de eerste plaats het op orde brengen van de financiën.

Er volgt dan ook een aantal kostenbesparende maatregelen: het hoofdkantoor aan de Keizersgracht wordt gesloten, de directie zetelt weer als vanouds in het Oud Buitengasthuis.
In de reorganisatie die volgt, verdwijnen er de komende jaren enkele afdelingen van de vereniging: de Opleidingsschool, de huizen in Appelscha en Hoogersmilde, Jeanette-Oord en het Folmina-huis in Houten en het herstellingsoord in Nunspeet.

Daarnaast betekent een nieuwe directeur ook onvermijdelijk nieuwe gewoonten en werkwijzen.
Zo laat Honing laat de administratie uit oogpunt van efficiëntie bij voorkeur gebruik maken van de giro en introduceert hij opnameformulieren voor het Observatiehuis.
De eerste tijd staat in het teken van bestendiging en verdere professionalisering van het werk van Hulp voor Onbehuisden.

Een taak die Honing ook overneemt is het schrijven van stukjes voor het huisorgaan van HvO dat met ingang van 1923 opnieuw net als de vereniging Hulp voor Onbehuisden heet. Het blad verschijnt vanaf de zomer van 1923 voorlopig elk kwartaal en is "gewijd aan de belangen van kinderen, vrouwen, zwervers, ontwrichte gezinnen en gedeclasseerden."
De oplage is 25.000 exemplaren.

In een van zijn eerste stukken behandelt Honing de verhouding tussen overheidsbemoeienis en particulier initiatief:
De zorg voor misdeelden is voor elke samenleving als het ware een peilglas waarop men kan aflezen de hoogte die de beschaving in die gemeenschap bereikte. Naarmate er meer zorg aan ongelukkigen wordt besteed, is het beschavingspeil hooger. Het is een eenvoudige waarheid, die geen bewijs behoeft. Toch is het niet ondienstig haar in herinnering te brengen in deze tijd van economische malaise. Het maatschappelijk werk in Nederland staat op een hoog peil.
In dezen tijd van geringe verdiensten en hooge belasting is er gevaar dat degelijke eenvoudige waarheden onwillekeurig wat op den achtergrond geraken. Staat en gemeente streven naar bezuiniging, besnoeien licht ook subsidie aan philantropische instellingen; de particulieren bezuinigen eveneens en verminderen hunne giften; het gevolg zou kunnen zijn dat het maatschappelijk werk groote schade leed tot nadeel van degenen die zijne hulp behoeven zoowel als van de geheele gemeenschap.
Want Staatshulp en Gemeentehulp zullen wel nimmer ontbeerd kunnen worden; toch zou ons ideaal zijn dat de particulieen het overgroote deel der lasten op dat terrein zouden willen dragen.
In het julinummer van het tijdschrift staat een artikeltje over de bioscoopwet die dan zojuist door de Tweede Kamer is verworpen. HvO hoopt evenwel op spoedige maatregelen die "kinderen wel eenigzins beschermen tegen de gevaren die de bioscoop ontegenzeggelijk aankleven."

In 1923 verschijnt in Amerika The Hobo: The Sociology of the Homeless Man van de socioloog en ervaringsdeskundige Nels Anderson (1889-1986). Het boek is met zijn dan nieuwe onderzoeksmethode van participerende observatie inmiddels een klassiek voorbeeld van de zogeheten Chicago School in de sociologie.
Anderson wil met zijn studie inzicht verschaffen in de "urban jungle" en onderscheidt vier typen daklozen:

hobo - rondtrekkende arbeider die soms (seizoens)werk zoekt;
tramp - landloper die rondtrekt en niet werkt;
bum - stedelijke dakloze, vaak verslaafd aan drank of drugs, soms ook met psychiatrische aandoeningen;
home guard - stedelijke scharelaar, die nu en dan (ongeschoold) werk doet.

Volgens Anderson is de "bum" het meest hopeloos en hulpeloos en vaak volledig aangewezen op bedelarij en liefdadigheid.

Op 30 december - de geboortedag van Jonker - plaatst HvO een gedenksteen op het graf van oprichter op begraafplaats Zorgvlied.

In 1923 verschijnt er een kleine brochure met Regelingen voor het personeel van Hulp voor Onbehuisden. Hierin lezen we onder meer welke functies er zoal zijn bij de vereniging en op hoeveel vakantie de verschillende werknemers recht hebben. Dat varieert van drie weken per jaar voor directie en hoofden tot een week voor het "lager personeel."

Hulp voor Onbehuisden verstrekt in 1923 in totaal 290.331 nachtverblijven en verpleegdagen, gemiddeld 795 per dag.



top


1924

Het bestuur van Hulp voor Onbehuisden probeert na de ervaringen met de eigenzinnige Jonker zijn eigen positie ten opzichte van de directie te verstevigen. Men trekt niet alleen meer bestuursleden aan, er worden ook specialisten op allerlei terrein gezocht: een kinderrechter - mr. G.T.J. de Jongh, een van de eerste kinderrechters van Nederland - juristen gespecialiseerd in de kinderbescherming en het gevangeniswezen en artsen.
Honing ontpopt zich al snel als minstens zo'n eigengereide persoonlijkheid als zijn voorganger Jonker, dus het bestuur kan alle steun goed gebruiken.

De overheid gaat een steeds grotere financiële rol spelen in de armenzorg. Ook particuliere instellingen als Hulp voor Onbehuisden worden voor het overgrote deel gesubsidieerd door de overheid. Niet alleen moet het particulier initiatief zich profileren tegenover de concurrentie van de overheid.
Zo vangt de gemeente Amsterdam vanaf de jaren twintig zelf ook kinderen van zieke moeders op in het Burgerweeshuis, wat overigens niet betekent dat dit niet meer van HvO wordt verwacht, de vraag is nu eenmaal groot. Diezelfde overheid stelt als financier aan de gesubsidieerde instelling strenge eisen als het gaat om kwaliteit en het naleven van wet- en regelgeving.
Bovendien houden de pers en de publieke opinie de instellingen scherp in de gaten. Misstanden worden doorgaans direct aan de orde gesteld.

Aan het eind van 1924 vertrekken de laatste meisjes van Jeanette-Oord naar het naastgelegen Folmina-Paviljoen en wordt Jeanette-Oord gesloten, waarna het gebouw met de terreinen begin 1925 onder de hamer komt.

In 1924 vestrekt HvO in totaal 258.427 verpleegdagen, gemiddeld 708 per dag.



top


1925

In de jaren twintig speelt in de Amsterdamse gemeenteraad regelmatig de vraag wat er moet gebeuren met dakloze gezinnen. Tijdens een raadsvergadering in 1925 noemt het raadslid Doornbusch HvO ongeschikt voor de opvang van deze gezinnen. Het is in zijn ogen ontoelaatbaar dat de gemeente deze opvang aan het particulier initiatief overlaat. De gemeente zou zelf een inrichting moeten bouwen.
B&W menen dat Amsterdam slechts behoefte heeft aan een nachtasiel voor zwervers en daaraan voldoet HvO. De gemeente kan volstaan met het ondersteunen van dit particulier initiatief.

De gemeente is druk doende een nieuw gebouw voor Hulp voor Onbehuisden te vinden. Er zijn immers sereieuze plannen om het Wilhelmina Gasthuis uit te breiden en daarvoor zou het oude Pesthuis, het Oud Buitengasthuis van HvO, moeten wijken.

De eerder genoemde Doornbusch vindt dat de gezinnen die door woningnood, werkeloosheid of andere redenenen zijn gedwongen de voorzieningen "van Jonker" te gebruiken geen zwervers. "Dat zijn, wat men noemt gewone arbeiders, die alleen het noodlot heeft getroffen, dat zij geen werk hebben en geen steun ontvangen," aldus het raadslid.

In 1925 verstrekt Hulp voor Onbehuisden 251.226 nachtverblijven en verpleegdagen, gemiddeld 688 per dag.



top


1926

Naast zijn werkzaamheden als hoofddirecteur van Hulp voor Onbehuisden vindt Honing de tijd om een boek te schrijven. Zijn werk De vreedzame strijd komt in 1926 uit bij Scheltema & Holkema's Boekhandel te Amstedam.
De vreedzame strijd, met als motto "Begreifst du aber, wie viel andächtig schwärmen leichter als Gut handeln ist?" van Lessing, handelt uiteraard over zaken als armenzorg, kinderbescherming en maatschappelijk werk in het algemeen en het werk van Hulp voor Onbehuisden in het bijzonder. Honing tekent in dit boek zijn programma voor de komende jaren op.

Het Observatiehuis aan de Vosmaerstraat zorgt in 1926 andermaal voor moeilijkheden. Aan het eind van het jaar wordt bekend dat een medewerker onzedelijke handelingen heeft gepleegd met enkele opgenomen jongens. De medewerker wordt ontslagen, de standaardprocedure in een dergelijk geval. Maar de kous is daarmee niet af.
In overleg met de politie en de leiding van het Observatiehuis besluit Honing tot enkele wijzigingen in de organisatie van het huis. Tijdens het politie-onderzoek rijzen er verdenkingen tegen andere personeelsleden en men besluit voorlopig geen nieuwe jongens op te nemen en de reeds aanwezige pupillen elders te plaatsen.

Hiervoor is de medewerking nodig van het departement van Justitie en de toenmalige minister van Justitie - J. Donner - wordt per brief ingelicht. De minister is ontsteld over de gebeurtenissen en nog meer ontsteld over het feit dat men hem zo laat heeft geïnformeerd en sluit het Observatiehuis.
De bestuursleden Mendes da Costa en Van Ouwenaller reizen af naar Den Haag om de minister duidelijk te maken dat Hulp voor Onbehuisden geen blaam treft en dat sluiting van het Observatiehuis wellicht een al te drastische maatregel is. De missie van het bestuur heeft succes. De zaak loopt met een sisser af en voorjaar 1927 gaat het Observatiehuis weer open.

In 1926 krijgt de ophaaldienst van het Manneninternaat van HvO zijn eerste auto. De mannen van de ophaaldienst klagen al sinds jaren over de zware en moeilijk te hanteren papierkarren. Het bestuur wikt en weegt lang over de aanschaf van een auto, met als belangrijkste struikelblok de beeldvorming in de publieke opinie. Een auto zou men wel eens als weelde kunnen zien, een imago dat een liefdadigheidsvereniging, die voortdurend om donaties van de Amsterdamse burgerij vraagt, slecht past.

Maandelijks komt nu het blad van HvO uit dat inmiddels weer 'Hulp voor Onbehuisden' heet, met als ondertitel 'maandblad gewijd aan de bescherming van kinderen, vrouwen, zwervers, ontwrichte gezinnen en gedeclasseerden.'

Op de website 'Verhalen van vroeger' herinnert mevrouw De Waard-Menses zich dat ze in 1926 in het Oud-Buitengasthuis woonde, "bij Jonker" zoals dat toen in de volksmond heette.

Er verschijnen teksten van levensliederen in het blad van Hulp van Onbehuisden van de hand van schrijfster/componiste Manna de Wijs-Mouton (1872-1947), die dan ook werk levert aan bijvoorbeeld het cabaret van Jean-Louis Pisuisse.



top


1927



Eind 1927 overlijden twee bestuursleden en oprichters van het eerste uur, de heren Janssen en Blankenberg. Van Ouwenaller stapt vanwege zijn leeftijd op als bestuurslid, zijn dochter volgt hem op.
Een en ander is aanleiding tot een reorganisatie van het bestuur. Iedere afdeling krijgt een zogeheten Commissie van Toezicht, elk onder leiding van een gedelegeerd bestuurslid.

In 1927 verstrekt Hulp voor Onbehuisden 229.578 nachtverblijven en verpleegdagen, gemiddeld 629 per dag.



top


1928

De wethouders van Mattschappelijke steun en Publieke Werken van de gemeente onderzoeken of het mogelijk is om het Stedelijk Armenhuis of een deel van de Marinewerf te verbouwen ten behoeve van Hulp voor Onbehuisden. HvO waardeert het marinecomplex vanwege de ruimte, maar acht de omgeving minder geschikt voor zijn bewoners. Men vindt de ligging van het Armenhuis beter passen bij de doelgroep, maar dit voldoet als pand weer minder goed aan de eisen.
De voorkeur der vereniging speelt in de praktijk overigens geen enkele rol, want beide plannen gaan niet door.

Onder de noemer 'Pesthuiskwesties' geeft directeur G. H. Honing een draai aan het debat over het voortbestaan van het Oud-Buitengasthuis, het voormalige Pesthuis van de 17e eeuwse bouwmeester Hendrik de Keyser. Moet dit grote Pesthuis met zijn metersdikke muren worden behouden als vaderlands cultuurgoed of kiest Amsterdam voor vernieuwing met een forse uitbreiding van het academische Wilhelmina Gasthuis?

Honing beschrijft het Oud-Buitengasthuis, waar dagelijks gemiddeld zo'n 500 klanten van Hulp voor Onbehuisden verblijven, als "nog zo kwaad niet."
Zoo met de jaren is het gebouw aan allen die er in werken, dierbaar geworden en zijn zij er aan gehecht geraakt op de wijze, waarop iemand zich hecht aan een klein en ondoelmatig verblijf en er tegen op gaat zien te verhuizen.
Maar deze sentimentskant heeft zijn grenzen en de dag, dat we met pak en zak naar ruimere en doelmatiger oorden zullen vertrekken, zal voor allen geen rouwdag zijn.
Het gaat Honing duidelijk niet om de architectuur of de geschiedenis, "het zijn de armen die in het Pesthuis verpleegd worden en hun geval is minstens even urgent, even dringend, evenzeer de aandacht waardig als het al of niet behouden blijven van het gebouw waarin zij vertoeven."

Het huisorgaan blijft reclame maken voor De vreedzame strijd, het boek van Honing dat verkocht wordt voor "den werkelijk civielen prijs van ƒ3,- gebrocheerd en ƒ3,75 gebonden."

Van 23 juli tot 12 augustus 1928 worden in Amsterdam de Olympische Spelen gehouden. Onder de noemer 'Olympiade indrukken' meldt het hoofd van het Jongenshuis aan de Prins Hendrikkade dat de spelen de jonge bewoners niet onberoerd laten.
Amsterdam staat in het teeken van de Olympiade! Alle winkelruiten zijn beplakt en beklodderd met Olympiade-prijzen, slagers annonceeren Olympiade-worst, bakkers maken reclame met Olympiade-koek, zelfs parfumerieèn bezwangeren de amtmospheer met Olympiade-geuren!
Hulp voor Onbehuisden's jeugd blijft niet achter. Onze sportminnende pupillen doorspekken hun Olympiade-conversatie met onuitspreekbare namen van Olympiade-grootheden. Getallen 2-1, 11-3, 3-4 rollen als biljardballen heen en weer. Met diepzinnige tronies, opperste deskundigheid voorgevend, worden de kansen besproken. De voetbal- en hockey-verslagen worden even gretig verorberd als het meest boeiende boek. Aller interesse is strak gespannen op de evenementen in ons Stadion.
De auteur keert zich uiteindelijk af van de, in zijn ogen, overdreven aandacht voor de lichaamscultuur en betoogt dat opvoeders de jeugd in plaats van sportlui juist mensen als de arts/schrijver Albert Schweitzer tot voorbeeld zouden moeten stellen.
Bij de jongens van de Prins Hendrikkade lijkt zijn betoog vooralsnog weinig gehoor te vinden.

HvO acht het noodzakelijk dit jongenshuis grondig te renoveren, dan wel uit te zien naar een nieuw onderkomen voor deze doelgroep.

Door de voortschrijdende bouw van het Wilhelmina Gasthuis moet HvO dringend uitzien naar vervanging voor, alvast een deel van, het Oud Buitengasthuis. In december 1928 duikt als mogelijk tijdelijk alternatief voor de kinderafdeling een tweetal scholen aan de Roggeveenstraat op. Hoewel ook hier flink moet worden vebouwd en de vrouwen en kinderen uiteindelijk pas in 1937 zullen verhuizen naar de Roggeveenstraat, is van tijdelijkheid geen sprake, HVO-Querido zit er nog steeds.



top


1929

De winter van 1929 levert in Nederland de op twee na ergste koudegolf van de eeuw: van 11 tot 20 februari is de temperatuur in De Bilt gemiddeld -9,7°C, aldus het KNMI. Een week lang vriest het hier elke dag zeer streng, meer dan 15°C onder nul.
In Winterswijk wordt op 14 februari van dat jaar -21,5°C gemeten, maar ook in het doorgaans wat warmere Limburg is het koud: in Sittard wordt het -21,4°C en in Gemert zakt het kwik tot -20,7°C.
"Ook in de gestichtsafdeelingen onzer Vereeniging doet zich de koude duchtig gelden," meldt het maandblad van Hulp voor Onbehuisden in februari.
Vooral in het Oud-Buitengasthuis is dit het geval. Vooreerst deed zich daar de moeilijkheid der ligging voor. Zooals wij reeds eerder schreven, is de voorraad dekens niet overgroot. Een eigenlijke reserve, die toch broodnodig is, ontbreekt nog steeds.
Om de koude in den lande te verdrijven adverteert de afdeling werkverschaffing van Hulp voor Onbehuisden in het huisorgaan maandelijks paginagroot voor bosjes kachelhout (kurkdroog), 100 stuks voor 2 gulden, 1000 voor ƒ17,50.

Een oproep van HvO in het Handelsblad om extra giften tijdens de abnormale koude heeft het beooogde resultaat: men ontvangt ±100 dekens en ruim ƒ2300 in contanten.

In het blad van maart kan Hulp voor Onbehuisden gelukkig afscheid nemen van de strenge winter, "den ouden tyran."

Iedereen heeft het met hem aan de stok gehad. De verpleegden, de beambten en ambtenaren, de administratie, die op een gegeven moment met dikke overjassen aan en verkleumde vingers zat te schrijven, de directie, ieder zegt luide en met overtuiging: "Geef ons den kwakkelwinter!"
Op 18 april 1929 brandt in Amsterdam het grote Paleis voor Volksvlijt af, waar ook Hulp voor Onbehuisden in het verleden regelmatig evenementen had georganiseerd, zoals verlotingen en bazaars.

Op 1 augustus 1929 wordt het Jongens-Landbouwhuis te Appelscha opgeheven. De nog aanwezige jongeren kunnen hun agrarische opleiding voltooien en zullen zodoende "wat hun toekomst betreft geen schade lijden."
Het ontgonnen terrein van circa 18 hectare, het vee en de te veld staande gewassen kunnen worden verkocht. Het geheel brengt conform de raming ƒ19.150 op.

In november 1928 is het maandblad van Hulp voor Onbehuisden nog een 'boeren-special'. De inmiddels traditionele tekening van Joop van de Berg toont dan onder de titel zelf-ontginning een blijmoedige boer, die met een spa over de schouder op weg is naar zijn werk, onder een motto uit Haydns Die Jahreszeiten 'Schon eilet froh der Ackersmann zur Arbeit auf das Feld.'

Het novembernummer wordt gesierd door maar liefst vier foto's van de landbouwkolonie in Appelscha, een redactionele uitspatting in deze sobere tijd.

In Appelscha richt men zich op het onderwijs in ontginning, land- en tuinbouw en veeteelt.
Het blad meldt dat het Jongens-Landbouwhuis - dat plaats biedt aan 20 jongens - op 18 juli 1928 door de regering is goedgekeurd voor de verpleging van regerings- en voogdijkinderen "van alle gezindten."

Dit heeft nogal wat voeten in de aarde gehad. Hulp voor Onbehuisden is al vanaf 1920 bezig deze status te verwerven. Om aan de eisen te voldoen moet er grondig worden verbouwd en gebouwd, wat lastig is gezien de voortdurend zorgelijke financiële situatie van de vereniging.

In oktober 1929 sluit HvO het Hotel De Hoop aan de Warmoesstraat 158. Het uit circa 1735 daterende pand wordt in 1935 afgebroken. Op deze plek bevindt zich momenteel de parkeergarage van De Bijenkorf.

Ook het herstellingsoord in Nunspeet verdwijnt in 1929 als HvO-voorziening van het toneel; in goed overleg met de schenkster verkoopt de vereniging het pand voor ƒ5.000.

In november gaan de zogeheten papkinderen over van het Oud Buitengasthuis naar een nieuw onderkomen.

In 1929 bestaat Hulp voor Onbehuisden 25 jaar. Hiertoe wordt een huldigingscomité gevormd, met de burgemeester als ere-voorzitter. Het bestuur besluit dit jubileum aan te grijpen voor een grote geldinzamelingsactie en geeft de propagandist van de vereniging, L.C. Koenen, de opdracht deze inzameling verder uit te werken. Bestuurslid mevrouw Heldring zorgt in deze voor de publicatie van een gekleurde plaat van het oude pesthuis in het Handelsblad ten bate van een inschrijving voor bijdragen.

Drie medewerkers van het eerste uur, de heren Bennink, Dinse en Niemeyer zijn dit jaar 25 jaar in dienst van HvO.
De feitelijke feestelijkheden staat gepland voor de periode rond oud en nieuw. Naast een poppenkast voor de kinderen in het eige Oud Buitengasthuis wordt in theater Tuschinsky onder meer een gratis voorstelling gegeven voor verpleegden en personeel "met hunne familieleden."
Uiteindelijk blijkt de voorbereiding voor het zilveren jubileum aan de korte kant en wordt dit pas in april 1930 gevierd.

In 1929 verstrekt HvO in totaal 245.666 verpleegdagen en nachtverblijven, gemiddeld 673 per dag.



lees verder op de volgende bladzijde