GESCHIEDENIS
|
1940 - 1941 - 1942 - 1943 - 1944 - 1945 - 1946 - 1947 - 1948 - 1949
|
HVO-Querido ontstaat in 1997 uit een fusie tussen stichting HVO en de prof. dr. A. Querido stichting,
respectievelijk maatschappelijke opvang en geestelijke gezondheidszorg.
We bestaan uiteraard al langer: Hulp voor Onbehuisden is in 1904 opgericht, RIBW Querido is sinds 1969 actief.
Hier onze geschiedenis, momenteel tot 1969.
Vanaf 1997 kunt u door onze jaarverslagen bladeren.
Kies een decennium of jaartal uit het menu hierboven.
Klik op de afbeeldingen in de tekst voor extra informatie en illustraties.
|
1940
Als Duitse troepen op 10 mei 1940 ons land binnenvallen, zijn er direct gevolgen voor Hulp voor Onbehuisden.
Zo is het Folmina-huis in Houten, in tegensteling tot de plannen, niet geëvacueerd en moet alsnog op stel en sprong
worden ontruimd. Het personeel en de meisjes worden per kolenschuit door het oorlogsgebied vervoerd naar Monster.
Mevrouw A. Akkerman, directrice van het tehuis Folmina van HvO beschrijft een maand later haar belevenissen met de jonge
bewoonsters in het tijdschrift van de vereniging:
Op dit geïmproviseerde reismiddel ontbrak natuurlijk alle comfort, doch dat kon ons weinig deren.
Toen echter de luiken gesloten moesten worden als voorzorgsmaatregel tegen gevaar, werd het wel wat benauwd in ons
tijdelijk verblijf. Maar toen we ergens door sluizen varend, kogels over ons heen hoorden fluiten, waren we blij met
onze ijzeren beschutting. Dit voorval bracht heel wat opschudding in ons scheepsruim teweeg, doch onze meisjes, onvervaard,
hieven een liedje aan en het was opmerkelijk hoe spoedig hierdoor de onrust tot bedaren kwam.
Men keert vervolgens terug naar Utrecht. De trein die hen naar Voorburg moet brengen wordt onder vuur genomen. Weer een
dag later is de wapenstilstand getekend en kunnen ze terugkeren naar hun huis in Houten, waar niets is gebeurd.
Alle afdeling hebben het in mei en juni extra druk door de stroom vluchtelingen en evacuees die het oorlogsgeweld voortbrengt.
Zo wordt er bij de afdeling van HvO aan de Roggeveenstraat een groep vluchtelingen opgevangen uit Rotterdam,
waar bijna 80.000 mensen door het Duitse bombardement van 14 mei dakloos zijn geworden.
Het Observatiehuis krijgt een deel van de bevolking van het ontruimde Rijksopvoedingsgesticht uit Amersfoort ingekwartierd.
Hierdoor moet het merendeel van de jongens van het Observatiehuis worden vrijgelaten.
Van alle tehuizen zijn de zolderverdiepingen volgens de voorschriften ontruimd met het oog op luchtbombardementen. Dit leidt tot een capaciteitsprobleem
waarvoor HvO de hulp inroept van de wethouder voor maatschappelijke steun.
Daarnaast kampt men met personeelstekorten omdat een aantal medewerkers onder de wapenen is geroepen. Een bijkomende kwestie in deze is de vraag
of HvO het verschil tussen salaris en militaire vergoeding voor de gemobliliseerden moet betalen. Men besluit dit alleen bij gehuwden en kostwinners te doen.
Bij de gevechten tijdens de meidagen sneuvelt Van Beers, een pupil van de Gezinsverpleging van HvO en lid van de marechaussee.
Mevrouw C.S. van Ouwenaller, directrice van de vrouwen- en kinderafdeling aan de Roggeveenstraat, doet verslag van haar
belevenissen in de meidagen van 1940: "Op den dag dat de oorlog uitbrak kregen wij voor onze gestichtsafdeeling de beschikking over
een grote schuilplaats, juist achter ons huis gelegen.
Net op tijd. Het luchtalarm gaat in die tijd echter zo vaak dat het al snel onbegonnen werk is om met 130 kinderen, waarvan de
meeste nog niet zelf lopen, telkens opnieuw de schuilkelder onder het Deli-pakhuis op te zoeken.
De Roggeveenstraat wordt extra gevaarlijk geacht vanwege de ligging bij de havens.
Het is dan eerste Pinksterdag en hoewel de buurtbewoners in hun zondagse pakken en met schone boorden lopen, is men bereid
om met vereende krachten de ledikantjes van de kinderen over te brengen naar de schuilplaats, zodat de kinderen daar bij
onheil veilig kunnen verblijven."
Van Ouwenaller is geraakt door het leed dat de oorlog brengt: "De vluchtelingen, wien wij onderdak boden, waren vol ellende en wee.
Een enkele maal hadden zij wat beddegoed weten te redden of een hondje dat wij ook herbergden, maar meeerendels hadden zij alles verloren."
Een medewerker van de mannenafdeling aan de Weesperzijde beschrijft in het tijdschrift van HvO niet zonder
fascinatie zijn indrukken van het krijgsgewoel:
Daar zien we op betrekkelijk geringe hoogte vliegmachines westwaarts trekken, terwijl om hen heen zich telkens
in de lucht die kleine, witte wolkjes vormen, die ons vertellen, dat op die plek een granaat uiteenbarstte.
Rustig vliegen de gevleugelde forten door en we zien ze in de verte in bijna loodrechte duikvlucht omlaag
schieten, waarna steeds weer een ontploffing volgt.
Let op de beeldspraak van de "gevleugelde forten," de schrijver doelt hier op de beruchte Duitse Stuka's en niet
op de latere viermotorige Amerikaanse B-17 bommenwerpers, beter bekend als Vliegende Forten.
Dezelfde auteur beklaagt zich over het feit dat er mensen bij ten onrechte HvO aankloppen om hulp en vertellen dat ze "vluchteling
uit Rotterdam" zijn, terwijl dat duidelijk niet het geval is. "Zijn er zoo?" vraagt hij zich af. En hij weet het antwoord
ook al: "Zoo zijn er."
HvO doet moeite om een voorraad kaas, gecondenseerde melk en appelen aan te leggen.
In augustus springt een bewoner uit de dakgoot van het Observatiehuis en vindt de dood. Deze "zwaarmoedige jongen vereischte speciale aandacht",
de toezichthoudende ambtenaar wordt geschorst.
Later in de maand wordt het Observatiehuis twee dagen ontruimd in verband met het opruimen van enkele niet ontplofte vliegtuigbommen in de buurt.
HvO probeert allerlei reguliere zaken doorgang te laten vinden. Zo wordt er met de nodige schroom en omzichtigheid
'gewoon' gecollecteerd om de kinderen in de zomer ondanks de roerige tijden toch 'gewoon' met vakantie te laten gaan.
En met succes, de inzameling brengt zelfs meer op dan gewoonlijk. De eerste twee maanden van de oorlog komt er ruim ƒ12.000 meer aan giften binnen dan in
overeenkomstige maanden in voorgaande jaren.
Tijdens de eerste maanden van de oorlog is er voor HvO nog niet zo veel te merken van de Duitse aanwezigheid.
De bezetter laat aanvankelijk veel bij het oude.
Toch zullen ook maatschappelijke organisaties als Hulp voor Onbehuisden uiteindelijk volgens nationaal-socialistische
principes moeten gaan werken.
Eind 1940 begint het. In oktober moet iedereen die in overheidsdienst werkt, of in een door de overheid gesubsidieerde
instelling, een zogeheten ariër-verklaring ondertekenen.
Een week later komt de verordening dat alle joden uit (semi-)overheidsinstellingen moeten worden ontslagen.
Er is een joods bestuurslid en er zijn diverse joodse ambtenaren in dienst. De heer Mendes da Costa, voorzitter
en - hoewel net geen founding father - bestuurslid sinds 1907, bedankt in november als lid der vereniging.
Mr. A.M. Blaisse volgt hem op.
Ook joodse leden en begunstigers van de vereniging zijn niet meer toegestaan. Een meisje van de Folmina-afdeling in Houten moet
haar baan bij een joodse werkgever opzeggen.
In december ontvangt HvO een brief van het departement van Binnenlandse Zaken waarin wordt aangezegd "dat onverwijld alle
Joodsche ambtenaren en ook zij, die eere-ambten bij de gesubsidieerde vereenigingen bekleeden, moeten worden ontheven."
Dit jaar start HvO met het controleren op tuberculose van medewerkers die in direct contact staan met verpleegden.
Hoytink stapt op als adjunct-directeur van het Observatiehuis. Op de personeelsadvertentie ter vervanging komen maar liefst 537 sollicitaties.
Op speciaal verzoek van dr. Querido van de Geneeskundige Dienst ontfermt de afdeling Gezinsverpleging van HvO zich over een meisje.
Eind december doet zich de vraag voor of Hulp voor Onbehuisden mensen moet opnemen die niet in Duitsland willen werken en daarom geen steun krijgen.
De wethouder voor Maatschappelijke Steun heeft tegen opname van twee van zulke gevallen bezwaar gemaakt. Directeur Honing betoogt
"dat onze vereeniging juist ervoor bedoeld is om in zulke gevallen van uiterste nood te helpen."
Het bestuur van HvO steunt hem daarin. Een bijkomend voordeel is dat dit deels tegemoet komt aan het tekort aan arbeidskrachten van de ophaaldienst aan de Weesperzijde.
"Ondanks de tijdsomstandigheden" gaat de tradionele feestmaaltijd aangeboden door de Horecaf aan de kinderen van Hulp voor Onbehuisden in 1940 gewoon door.
Het feest is dit jaar op 27 december in Bellevue.
Het aantal wegens bedelarij en landloperij in voorlopige hechtenis genomen personen vermindert gestaag.
In de jaren 1936 t/m 1940 zijn de cijfers respectievelijk 339, 332, 326, 260 en 238.
In 1940 verstrekt HvO 252.692 nachtverblijven en verpleegdagen, dat is gemiddeld 690 per dag.
1941
In januari buigt het bestuur zich over de wens van enige bewoners van het Jongenshuis aan de Prins Hendrikkade
om zich aan te sluiten bij een 'jeugdorganisatie der NSDAP'. De directeur van dit huis, de heer Peereboom, wordt ontboden door de
Duitse autoriteiten en overtuigt hen van het feit dat HvO dit niet toe kan laten. Blijkbaar is dit afdoende, er
wordt niet meer op de kwestie teruggekomen.
Een terugkerend probleem tijdens de bezetting is de voedselsituatie. Al in september 1940 constateert het bestuur
dat er een achteruitgang in calorieën ten opzichte van de vijf jaar daarvoor is van 26 tot 29%.
De gemeentegedelegeerde Tuntler waarschuwt voor vitaminetekorten en adviseert om fruit in te slaan.
In oktober wordt de toewijzing van levensmiddelen stopgezet en moet alles met distributiebonnen worden ingekocht.
Hulp voor Onbehuisden neemt hiervoor speciaal een meisje in dienst om de maandelijkse 40.000 bonnen te plakken.
Andere voedselkwesties: in mei wordt de kok van de vrouwen- en kleuterafdeling ontslagen wegens diefstal en later
dit jaar kan een beambte van het Jongenshuis zijn biezen pakken wegens herhaalde dronkenschap.
Een medewerkster van de Schoolkinderenafdeling aan de Stadhouderskade dreigt te worden ontslagen wegens homoseksualiteit.
Zij zou zijn betrapt met een volontaire "in geheel ontkleeden toestand" op haar kamer. Ondanks de beroering onder het personeel van deze afdeling
blijft het bestuur vasthouden aan zijn voorgenomen besluit en volgt ontslag wegens onbetamelijkheid.
De zusters van HvO die aan de Roggeveenstraat werken, beklagen zich bij de directie. Vanwege de luchtbeschermingsmaatregelen kunnen zij de nacht
niet meer op hun eigen kamertjes op de bovenste verdieping doorbrengen, maar slapen zij noodgedwongen op zaal.
Het bestuur neemt ter plaatste polshoogte en acht de bezwaren van de zusters "overdreven" en bovendien:
"Wij moeten ons richten naar de aanwijzingen der autoriteiten."
Door een verordening van de bezetter mag de vereniging voorlopig geen leden meer werven. Ook de vergunning om oud papier en dergelijke op te halen, dreigt te worden ingetrokken.
In december koopt HvO een perceel naast het Jongenshuis aan de Prins Hendrikkade voor ƒ19.000.
Hulp voor Onbehuisden benoemt de heer Koenen, de vroegere propagandist van de vereniging en thans directeur van het Observatiehuis, tot plaatsvervanger van de hoofd-directeur.
In het maartnummer van het maandelijkse HvO-tijdschrift is de trotse regel op het omslag 'Beschermvrouwe der
Vereeniging: H.M. de Koningin' verdwenen. Deze aanbeveling zal pas na de oorlog terugkeren.
Met ingang van november 1941 wordt het formaat van de maandelijkse publicatie van HvO wegens papierschaartste gehalveerd
en ook het aantal pagina's fors teruggebracht.
Vanaf april 1942 verschijnt het huisorgaan eenmaal per kwartaal en met ingang van mei 1943 nog slechts sporadisch.
1942
Hoofd-directeur Honing stelt in het januarinummer van het huisorgaan vast dat Hulp voor Onbehuisden
het "strijdperk 1941" heeft overleefd. En hij tobt over de winter:
Nu de oorlog gevoerd wordt in den barren Russischen winter, komt telkens weer de gedachte op aan den oorlog in 1812.
In de pers wordt gewezen op het grote verschil tusschen den Napoleontischen veldtocht en den huidigen; verschil o.a. in
bewapening, uitrusting en vervoermiddelen van de moderne legers, waardoor die in staat zijn tot prestaties, die toen
volstrekt onbereikbaar waren.
Honing is tenslotte een oud infanterist, uit een officiersgeslacht bovendien, en houdt wel van metaforen met
wapengekletter. Zijn boek heet dan ook niet voor niets De vreedzame strijd.
Als eerste vereniging in Nederland krijgt HvO op initiatief van de Winterhulp Nederland de vergunning terug om geld in te zamelen.
De Winterhulp is
echter een door de Duitsers in het leven geroepen en door de NSB bestuurde organisatie, liefdadigheid van nationaal-socialistische
signatuur. Daar komen praatjes van.
Het is HvO er dan ook veel aan gelegen om de onafhankelijkheid van deze Winterhulp te benadrukken.
In een artikel getiteld 'Geruchten en feiten' in het huisorgaan wijst directeur Honing er op dat Hulp voor Onbehuisden
geen cent van het ingezamelde geld aan de Winterhulp hoeft af te staan, nog dat men aan enige andere eisen tegemoet heeft
hoeven komen.
Onder de titel 'Een winter die ons zal heugen' komt Honing in februari terug op de koude.
Volgens het KNMI is de winter van '41/'42
inderdaad extreem koud. Het Nederlands record stamt uit die tijd, op 27 januari 1942 wordt in Winterswijk 27,4 graden
onder nul gemeten.
Onderkoeld stelt Honing: 'Een winter die ons zal heugen, om den loodzwaren druk dien hij legde op de armen,
niet het minst op de onbehuisden.'
Pas in maart wordt een al twee jaar spelende zaak van personeel aan de Roggeveenstraat opgelost. Op last van de luchtbescherming
mogen de zusters niet in hun eigen kamers slapen op de bovenste verdieping van het pand, maar moeten zij de nacht op zal doorbrengen
op de begane grond.
Dit leidt tot veel onrust, gemor en klachten over slapeloosheid en de kwestie wordt pas tot een goed einde gebracht als na
uitvoerige bemiddeling van bestuurslid Hendrix de zusters weer boven mogen slapen.
Twintig medewerkers hebben eindexamen van de personeelscursus gedaan.
Een zuster heeft zich teruggetrokken, een zuster is gezakt, de rest is geslagd waarvan vijf met lof.
In maart ontvangt het bestuur een brief van het Gemeentelijk Bureau voor Sociale Zaken
over "een nieuwe afdeling J. voor niet-arische inwoners van de Gemeente."
De wethouder verzoekt gemeentegedelegeerde Van Dam om inlichtingen over de joodse verpleegden bij HvO.
De hoofddirecteur verstrekt deze inlichtingen.
Als HvO dreigt te worden overgenomen door de bezetter welgevallige organisaties treedt het bestuur op 19 juni 1942 af.
Naar eigen zeggen, na de oorlog, omdat men 'niet wilde dienen als vlag, die de lading moest dekken, na het ingrijpen der
nationaal-socialistische instanties.'
Het bestuur geeft hoofddirecteur Honing als laatste opdracht om met zijn staf zo lang mogelijk te blijven en te redden
wat er te redden valt.
En dat doet Honing.
In april stelt de bezetter een gemachtigde bij HvO aan.
Deze gemachtigde legt verantwoording af aan de Commisaris voor niet-commercieele vereenigingen en stichtingen.
Tijdens een bespreking op het stadhuis op 11 augustus tussen de wethouder van Sociale Zaken, diens administrateur, de gemachtigde en
directeur Honing staat het voortbestaan van HvO op het spel.
Er wordt aanvankelijk besloten dat:
Hoofddirecteur Honing vecht voor zijn organisatie. Gelukkig maakt de administrateur bezwaar tegen overname door de gemeente
van de nachtasielen, Amsterdam wil geen armlastigen van buiten de gemeente opvangen.
Deze taak zal dan ook voorlopig voor HvO blijven. Evenals de zorg voor ongehuwde moeders en hun kindeen en jonge vrouwen zonder dak
boven hun hoofd.
Honing merkt op dat de Volksdienst
uiteraard alleen 'biologisch volwaardige' kinderen wil opnemen en biedt grootmoedig aan dat zijn vereniging dan wel voor alle andere kinderen wil zorgen.
Als tenslotte ook blijkt dat de overname door het Rijk van het Observatiehuis nog niet in kannen en kruiken is, kan het volgens de
directeur tot die tijd nog wel even bij HvO blijven. Zo wordt in één vergadering Hulp voor Onbehuisden bijna opgeheven
en tegelijkertijd vrijwel opnieuw opgericht.
1943
Formeel gaat het manneninternaat op 1 januarui 1943 over naar de gemeente Amsterdam, maar HvO blijft de voorziening
voorlopig besturen. In de praktijk verandert er voorlopig niets.
In februari maakt de gemeente bekend dat de statuten van Hulp voor Onbehuisden zijn veranderd. Er geen sprake meer
van een gekozen bestuur, maar een bestuur van drie leden aangewezen door de burgemeester, de Commissaris voor niet-commercieele
verenigingen en stichtingen en door de leider van de Nederlandsche Volksdienst.
De doelstelling van HvO wordt uitgebreid tot de zorg voor
diegenen, die tengevolge van familie- of andere omstandigheden hun huiselijken band verbroken zien, voor
zover het niet biologisch volwaardigen betreft, hetgeen vast te stellen is door den dokter van de
Nederlandschen Volksdienst.
Onder druk van de nieuwe machthebbers komt een aantal NSB-ers in dienst, waaronder een directeur.
In maart worden twee groepen moeilijke jongens en meisjes van de Schoolkinderen Afdeling overgeplaatst
naar de Roggeveenstraat.
Op 11 mei overlijdt oud-voorzitter Abraham Jacob Mendes da Costa op 72-jarige leeftijd in Amsterdam.
Twee van zijn kinderen worden in hetzefde jaar vermoord in Sobibor, zijn vrouw sterft in 1944 in Theresiënstadt,
een derde kind in 1944 in Dachau.
In het Joodsche Weekblad van 14 mei wordt
Mendes da Costa niet alleen herdacht als de man die een halve eeuw secretaris van de Portugees-Israëlitische Gemeente
is geweest, ook "op het gebied der weldadigheid was hij een groot aantal jaren in belangrijke functies werkzaam."
In december verhuist het hoofdkantoor van de Van Neckstraat (om de hoek bij de Roggeveenstraat) naar Westeinde 27-29
(dit gebouw bestaat thans niet meer, op deze plaats bevindt zich nu de Nederlandse Bank).
De ruimte die vrijkomt is voor de zogeheten papkinderen, wier plaats tijdelijk wordt ingenomen door het nachtasiel voor mannen.
Deze mannen komen van de Weesperzijde en moeten op hun beurt tijdeljk plaatsmaken voor jongens
uit het Observatiehuis, die geen volgende huisvesting hebben.
In 1943 wordt de uitgave van het blad van Hulp voor Onbehuisden nog verder teruggebracht tot een eenvoudig
en kort overzicht van het aantal opgenomen mensen per vestiging.
Casper, een bewoner van het Jongenshuis aan de Prins Hendrikkade, probeert zich aan te melden bij de Waffen-SS.
Klik om dit verhaal te lezen, zoals een medewerker zich dit later herinnert.
Of lees uit hetzelfde Jongenshuis het verhaal van onhandelbare Gerrit,
zoon van een NSB'er, die maar liefst vier keer uit de Jeugdstorm is verwijderd, maar zich tijdens het kerstdiner
ontpopt als een geboren groepsleider.
1944
De vereniging bestaat veertig jaar; er valt weinig te vieren.
Adriaan van den Busken werkt tijdens de oorlog als portier en klusjesman bij het Internaat voor Schoolgaande Kinderen
aan de Stadhouderskade. Daar verblijven gemiddeld zo'n 160 kinderen.
Veertig jaar later haalt hij zijn herinneringen op aan 1944:
"In ons land was het al zo ver gekomen dat in het zuiden een deel was bevrijd. De schrik sloeg de
Duitsers om het hart en ook de N.S.B. kneep 'm voor de vergelding.
Vele van die helden vluchtten overal heen en zodoende, kwam het begrip 'Dolle Dinsdag' tot stand. De
huizen van de organisaties werden verlaten en zo kreeg het bestuur van H.V.O. de mededeling dat het
gebouw in de Lairessestraat, dat in gebruik was bij de vrouwenbond van de N.S.B. was verlaten en dat wij
alles mochten weghalen.
Dat was me een feest, we gingen er met zoveel mogelijk handkarren naar toe om alles op te laden en
voorlopig naar de Stadhouderskade te brengen. De kamers lagen opgestapeld met textiel, vaak gestolen
van Joodse zaken. Een grote bibliotheek, veel meubelen enz. Er hingen grote portretten van Mussert en
Geelkerken aan de muur, die werden al meteen aan gruzelementen getrapt om onze woede te koelen.
Die Dolle Dinsdag duurde echter maar een paar dagen, toen kwamen de moffen weer terug en in het
westen zijn ze nog gebleven tot 5 Mei 1945, maar die twee dagen hebben we onze slag geslagen en
alles kon prima gebruikt worden.
Het werd nog een zware winter, er is de laatste maanden veel geleden onder de bevolking, maar
gelukkig zijn er geen slachtoffers bij de kinderen gevallen. In het voorjaar kwam de bevrijding in zicht en
er was één dag die zullen we nooit vergeten, toen kwamen de vliegtuigen om brood af te
werpen op diverse plaatsen. Dat brood werd dan gedistribueerd, het leek wel een wonder uit de hemel.
De moffen merkten wel dat het afliep en verzetten zich niet meer tegen deze hulpactie, het was voor
hun een verloren zaak. Gelukkig kwam de bevrijding op 5 mei 1945."
Lees het hele verhaal van het Prinses Marijkehuis in de oorlog.
Of lees het trieste verhaal van Max D. die als zoon van een joodse diamantbewerker
is gebroken door de Tweede Wereldoorlog en een goede bekende wordt van diverse dak- en thuislozenvoorzieningen, waaronder het internaat annex nachtasiel van HvO aan de Weesperzijde.
Dit verhaal verschijnt in 1959 in het blad van Hulp voor Onbehuisden.
1945
In januari 1945 worden alle jongens van het huis aan de Prins Hendrikkade opgeroepen voor de Arbeidseinsatz
in Duitsland. Niemand gaat.
Op 6 mei treedt het bestuur weer in dienst, de eerste bestuursvergadering na de bevrijding is op 17 mei.
Werk aan de winkel: de financiën moeten op orde, NSB-ambtenaren worden ontslagen, nieuw personeel wordt gezocht en men probeert om
nieuwe mensen te krijgen voor de Commissie van Toezicht die elke afdeling heeft.
HvO doet pogingen om het manneninternaat weer terug te krijgen van de gemeente. Ook de ophaaldienst, veboden tijdens de oorlog,
wil men weer snel aan de gang krijgen, omdat dit geld oplevert.
De gemeente laat weten dat men wel wil maar dat het gebouw is afgestaan aan de Repatrieeringsdienst.
In november neemt HvO de Mannenafdeling aan de Weesperzijde weer in gebruik.
In de bestuursvergadering van 3 juli wordt melding gemaakt van een bijzondere gift van 200 gulden van Mevrouw Röder
van bloemenhuis Godetia vergezeld van de opmerking dat "de eenige eerlijke en nette loopjongen die zij ooit had gehad bij
Hulp voor Onbehuisden was opgevoed."
Op 31 juli wordt de heer R. Bl. Smuling welkom geheten als nieuw bestuurslid. Hij volgt zijn vader op die is
gefusilleerd door de Duitsers.
Men neemt zich voor om tevens een bestuurder "van Joodsen huize" aan te trekken.
HvO wil het Folmina-paviljoen, een tehuis voor meisjes van 15 tot 20 jaar, dat men te geïsoleerd acht in Houten, verplaatsen. Liefst naar de Van Neckstraat,
om de hoek bij de Roggeveenstraat in Amsterdam. En dat gebeurt.
Zuster Akkerman wordt directrice van zowel de Vrouwen- en Kleuterafdeling als Folmina
en krijgt daarvoor een toelage van 75 gulden per maand.
Er rijzen twijfels aan de integriteit van hoofddirecteur Honing. Het is onduidelijk hoe de vereniging
de oorlog betrekkelijk ongeschonden doorstaat, terwijl zoveel instellingen waren verboden of opgeheven.
Er gaan geruchten over Duits-vriendelijkheid en samenwerking met de Volksdienst.
Er worden klachten ingediend bij het Militair Gezag, dat dreigt de hoofddirecteur te schorsen.
Het bestuur besluit een Commissie van Onderzoek in te stellen.
Honing wordt met vakantie gestuurd, Koenen, directeur van het Observatiehuis, neemt hem waar.
Het onderzoek leidt tot onrust onder het personeel dat grotendeels achter Honing staat.
De directieleden stellen hun ervaringen op schrift en daaruit blijkt dat de hoofddirecteur soms het werk
van de, door de bezetter aangestelde, gemachtigde saboteerde. Zij wisten zich ook door hem gesteund als
men onderduikers opnam of mensen uit de gedwongen tewerkstelling hield.
Men verzamelt steunbetuigingen van voormalig onderduikers en mensen van het verzet.
Men voert aan dat Honing privé joodse onderduikers had.
Het bestuur blijft bang dat het beeld van HvO naar buiten toe door de affaire wordt aangestast.
In november veschijnt het rapport van de Commissie van Onderzoek over de rol van Honing tijdens de oorlog.
In het bijzonder neemt de Commissie het den Heer H. kwalijk, dat hij volkomen heeft nagelaten
het personeel in vaderlandschen zin te steunen en te raden, en dat hij niet heeft getracht
gezamenlijk met het personeel als vaderlanders de groote gevaren en moeijlijkheden het hoofd
te bieden. Ook in zijn optreden naar buiten (...) heeft de Heer H. niet alleen zorgvuldig vermeden,
wat hen en derhalve Hulp voor Onbehuisden in moeilijkheden zou kunnen brengen, doch hij is in
zijn uitingen ten aanzien van 'het nieuwe' verder gegaan, dan noodig was en van hem werd gevraagd.
(...) Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat de Heer H. geacht moet worden niet ten onrechte
bij velen uit het publiek en ambtelijke kringen het vertrouwen te hebben verloren, dat vereischt is
om daadwerkelijk te kunnen medewerken aan en leiding te geven bij den wederopbouw der vereeniging.
Het bestuur erkent haar eigen rol tijdens de bezetting, men had de directeur immers gevraagd ten aanzien van HvO
"te redden wat er te redden valt" (zie de brief van 30 mei 1945), maar vraagt de 69-jarige Honing desalniettemin ontslag te nemen.
Honing stemt hiermee in, geeft toe fouten te hebben gemaakt en toont begrip voor het feit "dat er menschen zullen zijn,
die mijn werk in den oorlog niet hebben kunnen doorzien."
Onze officiële historica, D. P. Rigter, haalt voor de rol van bestuur en directie van Hulp voor Onbehuisden
tijdens de oorlog het door de historicus Kossmann geijkte begrip 'accommodatie' aan.
Hiermee wordt bedoeld dat "van hoog tot laag de Nederlanders geprobeerd hebben hun leven door de bezetting
zo min mogelijk in de war te laten brengen, dan wel getracht hebben zich zo goed mogelijk aan de nieuwe situatie
aan te passen. In dit licht bezien ging het er de meeste Nederlanders om, zich zo goed mogelijk en met zo min
mogelijk verlies, staande te houden."
1946
De gemachtigde van de bezetter, Tydeman, heeft voor HvO tijdens de bezetting twee panden gekocht aan
de Jacob van Campenstraat van gedeporteerde joodse eigenaren.
Na de oorlog is de vereniging verwikkeld in een kwestie over wie de rechtmatige eigenaar is.
Het Ministerie van Justitie verzoekt HvO om NSB-kinderen op te nemen; de vereniging reageert lauw.
Zowel in de Mannenafdeling als het Observatiehuis worden later enkele "politieke delinquenten" opgenomen.
Later in het jaar rijst de vraag of voormalig politieke delinquenten (lees NSB-ers) kunnen soliciteren bij de vereniging.
Het bestuur meent dat daartegen geen bezwaar is, mits het personeel wil meewerken ("eenigen hadden geen bezwaar,
anderen vreesden een invasie van zulke lieden") en het niet om al te verantwoordelijke plaatsen gaat.
De nieuwe bestuursvoorzitter Mr. A.M. Blaisse schrijft onder de kop 'Ons maandblad herrezen'
over het periodiek 'der vereeniging Hulp voor Onbehuisden' dat hij beschouwt als een
onmisbare schakel met het publiek en over 'dat machtige Amsterdamsche tooverwoord Onbehuisden.'
Geen Amsterdammer die dat niet kent, geen oudere Amsterdammer, die niet zou weten wat "Jonker" was.
Geen die niet weet, dat op de historische Amsterdamsche bodem van het "Pesthuys" jarenlang de vereeniging
haar zegenrijk werk verrichtte.
Maar weet gij, vrienden van "Hulp voor Onbehuisden", waarin dat werk van onze vereeniging, dat zich niet
heeft beperkt tot één bepaalde godsdienstige of politieke kring, maar algemeen onpartijdig en veelkleurig is,
eigenlijk wel bestaat? Weet gij wel, dat het oorspronkelijke doel, de hulp voor onbehuisden, nog slechts een uitermate
klein deel van onze werkzaamheden uitmaakt?
Blaisse somt alle afdelingen - naast de nachtopvang en de mannenafdeling - nog eens op: vrouwen en kleuters, schoolgaande kinderen,
jongens- en observatiehuis en de voogdijkinderen van de gezinsverpleging.
En hij vraagt geld. 'Wij vragen veel geld, maar we willen, dat men dan ook wete waarvoor dit geld besteed wordt.'
De heer Loeb van Zuylenburg komt in dienst als propagandist. De eerste circulaire van HvO levert meer op dan verwacht, wat
volgens het bestuur betekent dat "de sympathie voor het werk onverflauwd is gebleven."
A.A.H. Hoytink wordt de nieuwe hoofddirecteur van Hulp voor Onbehuisden. Hij werkte eerder als directeur van de Nederlandsche
Mettray (een tehuis voor protestante jongens) en is geen onbekende van de vereniging; in de jaren dertig was hij enige
tijd onderdirecteur van het Observatiehuis.
Het dak van het Observatiehuis aan de Vosmaerstraat moet nodig worden hersteld; volgens de offerte gaat dit 17.000 kosten.
Er zijn drie medewerkers die 25 jaar in dienst zijn. Vroeger kreeg men in dat geval een gouden speld, maar "dat kan
nu niet meer", aldus het bestuur. De jubilarissen ontvangen een envelop met 50.
Op kerstavond is er brand bij het Nachtasyl aan de Weesperzijde. Er zijn geen gewonden, maar veel mannen
zijn hun hele garderobe kwijt.
Op 31 december 1946 bedraagt het totaal aantal verpleegden 772.
1947
Er zijn twee kwesties van financiële aard die bestuur en directie bezighouden. De lagere salarissen die HvO betaalt,
zijn zo laag, dat mensen er niet of nauwelijks van kunnen rondkomen. Daarnaast wordt in toenemende mate algemeen gevoeld
dat er een goede pensioenregeling voor medewerkers moet komen.
Men stelt voor gehuwde mannen die minder verdienen dan 3.000 15% salarisverhoging te geven en overig personeel onder de 3.000 10%.
Voor hoger betaalden geldt een verhoging van 5,5% met het oog op de tegelijkertijd algemeen in te voeren 5% pensioenaftrek.
Hulp voor Onbehuisden stelt zich op het standpunt dat dit alleen mogelijk is als de gemeente deze bedragen subsidiabel stelt.
De gemeentelijke subsidie bedraagt dit jaar zo'n 400.000.
De heer Marks komt in dienst als financiële rechterhand (bedrijfsdirecteur) van hoofddirecteur Hoytink.
Men besluit om het Internaat voor schoolgaande kinderen aan de Stadhouderskade om te dopen tot Prinses Marijkehuis.
Ter gelegenheid van de doop van deze jongste Oranje-telg sturen de kinderen van het Marijkehuis een fotoalbum naar Soestdijk
over hun dagelijkse leven en werken in het tehuis. Prinses Juliana reageert allerhartelijkst.
De jonge bewoners van het Marijkehuis en het Jongenshuis gaan voor het eerst sinds de oorlog weer 's zomers met vakantie, de tocht voert naar
Putten en Lunteren.
De voorzitter van het bestuur, notaris A.M. Blaisse, overlijdt in augustus op 52-jarige leeftijd.
De gemeente-gedelegeerde, dr. J.H. Tuntler, directeur van de GG&GD, wordt hoogleraar in Groningen en verlaat het bestuur van HvO.
Onder de titel "Gij, jonge vrouwen" roept directeur Hoytink met name vrouwen op tot een carrière bij
Hulp voor Onbehuisden.
Welk een schone taak ligt hier voor een jonge vrouw. Wie enige jaren van haar leven wil wijden aan het verzorgen
en leiden en terechtbrengen van onze verkommerde, verlaten, geknauwde kinderlevens, kan niet alleen veel leren,
maar kan haar eigen persoonlijkheid door een harmonische ontwikkeling van verstand en hart doen uitgroeien.
(...) Stel ons en onze kinderen, die wachten, niet teleur!
Er zijn plannen om een personeelsvereniging op te richten die de belangen van medewerkers behartigt
en zich bezighoudt met ontwikkeling en ontspanning.
De Amsterdamse politie heeft een inwerkprogramma ontwikkeld om alle agenten van het korps de Mannenafdeling van HvO aan de Weesperzijde
te laten bezoeken om hen ook met deze groep Amsterdammers enigzins vertrouwd te maken.
HvO ontvangt een zending gebreid ondergoed uit New York van voormalig Nederlanders die in Amerika wonen en zich hebben verenigd in de United Service to Holland.
De hoofddirecteur bezoekt het diamanten jubileum van het Leger des Heils.
De propaganda-actie in november en december levert ruim 17.000 op. Er komt kritiek van enkele donateurs op de Duitse tekst in de
circulaire, ontleent aan een lied van Schubert, 'Die Welt wird schöner mit jeden Tag.'
In het maandblad komt de directie van HvO op deze kwestie terug en behoudt zich het recht voor vrijelijk te
citeren uit de klassieke Duitse canon van dichters, denkers en componisten.
Op kerstavond breekt er brand uit in de nachtpvang aan de Weesperzijde. Niemand raakt gewond, maar de passanten zijn hun
toch al schamele bezittingen grotendeels kwijt. Gelukkig springt de Amsterdamse burgerij direct bij en kunnen de mannen
de volgende dag tenminste weer nieuwe kleren en schoenen aantrekken.
In december maakt HvO zich zorgen over 'het groot tekort dat bestaat op het gebied van het psychologisch-psychotechnisch onderzoek'
ten behoeve van kinderen die langdurig door de vereniging worden verpleegd en de jongens van het Observatiehuis.
Hierover vinden besprekingen plaats met Dr. van Dael (hoofd psychotechnisch laboratorium), dr. Hart de Ruyter (jeugdpsychiater)
en dr. Querido (hoofd dienst geestelijke volksgezondheid), allen van de G.G.G.D. 'Het meest wordt gevoeld voor het samenstellen
van een psychologisch team, dat onderzoek doet, waarna de psychiater dieper op eventuele ziekteverschijnselen kan ingaan.'
Hierover ontspint zich een discussie in het bestuur. 'Enerzijds wordt gevreesd, dat de heren psychiaters de dingen te zwart zien,
anderzijds moeten wij een open oog hebben voor een zeker streven bij sommige gemeentelijke diensten, om HvO voor hun wagen te spannen
en een zekere eerzucht te bevredigen.'
1948
Met ingang van 1 januari wordt de interne technische dienst opgeheven om kosten te besparen. Het timmer-, elektriciteits-,
loodgieters- en schilderwerk besteedt men voorlopig uit.
Voor de kinderen van HvO begint het jaar goed: op 7 januari organiseert de Amsterdamse afdeling van de Horecaf voor hen
een diner met vermaak en muziek in Bellevue.
De heer U.W.H. (Ubbo) Stheeman, in het dagelijks leven president van de Amsterdamse rechtbank, tevens een pionier op het gebied van monumentenzorg in de stad,
wordt gekozen tot nieuwe voorzitter van het bestuur, de heer Flesseman wordt penningmeester. Mevrouw Heldring treedt na 24 jaar af als bestuurslid.
De bezetting van de Mannenafdeling is inmiddels weer zoals deze zou moeten zijn en de papierophaaldienst aldaar begint
goed te lopen, alleen al in februari wordt voor 13.000 aan oud papier opgehaald en in het eerste halfjaar van 1948
voor ruim 60.000.
De heer Reekers, directeur van de Mannenafdeling, spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat 'zijn' bewoners steeds
ouder worden; het werk "lijdt onder de hoge leeftijd der verpleegden.".
De afdeling Gezinsverpleging beloont een pleegmoeder die "reeds meer dan 10 kinderen van ons heeft grootgebracht en
moeilijke gevallen in het juiste spoor wist te brengen" met een geschenk.
Op 28 januari wordt Zuster Akkerman, directrice van de Vrouwen- en Kleuterafdeling, ontboden ten paleize van H.M. de Koningin
om een indruk te geven van het dagelijks werk bij de vereniging.
Met ingang van 6 juli gaat zuster Akkerman zich weer volledig wijden aan de Folmina-afdeling en wordt zuster Dekker
directrice van de Vrouwen- en Kleuterafdeling.
Op 12 juni geeft HvO een benefiet tuinfeest voor 700 mensen op de binnenplaats van het internaat aan de Stadhouderskade
om de kinderen met vakantie te kunnen laten gaan. En dat lukt, precies een maand later reizen de kinderen van Hulp voor Onbehuisden
af naar Lunteren voor enkele weken bos en heide.
Hoytink vindt dat er voor de kinderen die langdurig door HvO worden verpleegd en voor de jongens van het Observatiehuis
een groot tekort bestaat op het gebied van het psychologisch en psychotechnisch onderzoek.
Men wenst de samenstelling van een psychologisch team dat onderzoekswerk doet, waarna de psychiater dieper op
eventuele ziekteverschijnselen kan ingaan. Een bestuurslid waarschuwt, de vereniging moet "een open oog
hebben voor een zeker streven bij sommige gemeentelijke diensten, om HvO voor hun wagen te spannen en een zekere
eerzucht te bevredigen."
Anderen voelen het meest voor het aanstellen van een eigen psychiater.
De hoofddirecteur krijgt de opdracht om uit te zoeken wat een en ander kost.
Hulp voor Onbehuisden ontvangt een brief
van H.K.H. prinses Wilhelmina waarin zij tegelijk met haar troonsafstand de functie van beschermvrouwe der vereniging neerlegt.
Het bestuur besluit om H.M. Koningin Juliana te vragen beschermvrouwe te worden.
In 1948 worden in totaal 238.655 nachtverblijven en verpleegdagen genoteerd, wat neerkomt
op een gemiddelde bezetting van 652 personen per dag.
1949
Dat er na de oorlog nieuwe problemen zijn gerezen, blijkt onder meer uit de nieuwjaarsrede van 1949, waarin de leiding van HvO beschouwend kijkt naar
'de toestand in de wereld, in Indonesië, in ons goede vaderland, in ons werk en misschien in ons eigen leven.'
Op 13 januari wordt in Bellevue voor zo'n 1000 mensen onder de titel 'Amsterdamse Straatatmosfeer' een revue met liedjes, cabaret en toneel
georganiseerd met het doel tenminste 1000 luiers aan te kunnen schaffen voor de babies van Hulp voor Onbehuisden.
Bestuursvoorzitter U.W.H. Steehman zegt in zijn inleiding bij de revue in Bellevue dat HvO hier vooral de lichte zijde van de straat vertoont.
'Deze straat kent ook een donkere kant, en deze is naar onze vereniging toegewend,' waarschuwt de voorzitter.
Burgemeester d'Ailly woont het feest bij en
verklaart in Het Vrije Volk: "Er is maar één maar, dat is dat slechts duizend mensen in die zaal konden.
Dit hadden allen moeten zien." Hoewel het doel reeds de eerste avond wordt bereikt, neemt HvO deze raad ter harte,
het festijn wordt nog viermaal herhaald in een uitverkocht Bellevue.
De revue wordt in maart door de KRO op de radio uitgezonden.
Over de revue van HvO schrijft het Algemeen Handelsblad: "Hulp voor Onbehuisden presenteert ... Zijne Majesteit de Straatmuzikant."
En in Het Parool schrijft de dagboekanier (= Henri Knap): "Als Jan le Cler dan nog eens terug wil komen zingen van 'Valerisie, Valerisa, Valerisom'
dan zult u er niets aan te kort komen en meneer Hoytink van Hulp voor Onbehuisden ook niet, want daar is het tenslotte om begonnen."
HvO zoekt opnieuw geschikte ruimte voor het Folmina-paviljoen, waar 'grote meisjes' verblijven en een vak leren.
Men acht de Zeeheldenbuurt van de Roggeveenstraat minder geschikt voor de doelgroep en kijkt rond in het Gooi ('s Graveland en Bussum).
Ondanks deze huisvestingsperikelen is het dit jaar dubbel feest bij Folmina, de afdeling bestaat 30 jaar en de directrice, Zuster Akkerman, is 25 jaar in dienst van HvO.
Een foto van zuster Akkerman, buiten aan het werk bij Folmina in Houten, siert het omslag van huisorgaan van de vereniging met als
bijschrift een aardige variatie op Die Jahreszeiten van Joseph Haydn: "Schon eilet froh 'die Ackerman(n)' zur Arbeit
auf das Feld"
Het beschermvrouweloze tijdperk duurt voor HvO gelukkig niet lang. In september ontvangt de vereniging het bericht
dat Koningin Juliana
het patronaat van haar moeder overneemt.
Kort hierna verbluft H.M. de Koningin tijdens de tentoonstelling "Jeugd van Nederland" in de RAI
zowel de kinderen van het Prinses Marijkehuis als talloze omstanders. Juist als de koninklijke stoet langskomt, zetten de
pupillen van het Marijkehuis de oudhollandse Zevensprong in en tot ieders verbazing danst de koningin spontaan mee.
B&W van Amsterdam benoemt A. Brand jr, arts en directeur van de GG&GD, tot tweede gemeentegedelegeerde van HvO.
In de Mannenafdeling aan de Weesperzijde worden bij wijze van experiment vijf alcoholisten opgenomen uit het
gemeentelijke Verzorgingstehuis aan de Roeterstraat.
Twaalf jongens van het Prinses Marijkehuis doen mee aan een nationale tentoonstelling van knutselarij op de Veluwe onder de noemer Gouden Handen.
Onder de bezielende leiding van de conciërge van het Marijkehuis, A. van den Busken, hebben ze een maquette gemaakt van het Amsterdamse Begijnhof,
wat leidt tot een eervolle vermelding van de jury.
Het Marijkehuis kampt overigens met personeelsproblemen, "de liefde voor ons werk schijnt zoek bij jonge mensen," verzucht de directrice in haar jaarverslag.
Levensstrijd, het huisorgaan van HvO, dat in 1949 wordt verspreid in een oplage van 5.500 stuks, maakt melding van de instelling van een
wetenschappelijke commissie rond het thema film en jeugd. Aan dit geleerde gezelschap neemt ook Dr. A. Querido deel.
In het aprilnummer van het HvO-blad wijst hoofddirecteur Hoytink op een nieuwe trend in de Verenigde Staten om nadrukkelijk naast de cliënt te gaan staan, het zogeheten case-work:
"In Amerika is in het sociaal werk de leuze "helpt de hulpzoekende om zichzelf te helpen" een soort slagzin geworden."
In mei stemt de gemeente in met de aanstelling van een deskundige voor de kinderafdeling van HvO aan de Roggeveenstraat 'nu ons gebleken is dat de kinderen,
waarmee uw vereniging zich bezighoudt, nagenoeg allen kinderen uit slechte milieus zijn.'
Deze deskundige kan de kinderen zonodig verwijzen naar het Consultatiebureau of het psychotechnisch laboratorium van de GG&GD.
In juni 1949 organiseert HvO een avond over geestelijke verzorging voor jongeren in het Observatiehuis waar verschillende zuilen zijn vertegenwoordigd,
de katholieke latere studentenpastor Pater van Kilsdonk en Wika de Groot namens de hervormde jeugdraad.
Naar aanleiding hiervan betoogt directeur Hoytink dat wij de taal waarin we ons uitdrukken moeten aanpassen aan de jongeren:
"Wij moeten de durf opbrengen om de dingen waarom het gaat grijpbaar, be-grijpelijk voor hen te maken."
Het Observatiehuis is volgens HvO zeer dringend toe aan onderhoud.
In het decembernummer van het blad blikt HvO terug in het verleden en citeert Vondel met diens strofen boven de poort van De Bayert,
de eerste voorziening voor dak- en thuislozen in Amsterdam:
Drie nachten, langer niet, herbergh ick die 't behoeft
De vierde jaegh ick uit, de schoyersters en 't geboeft
Men heeft ook een bespreking van de film Rope van Hitchkock. De recensent van HvO is bang voor navolging van deze perfecte misdaad.
Conclusie: "Deze film verlaat men niet met een verrijkt gevoel, maar met de angstige vraag: Wat kunnen hiervan de gevolgen zijn?"
De zogeheten propagandadienst van HvO komt in 1949 met en nieuw initiatief: elke pasgeborene in Amsterdam krijgt van HvO
een ansichtkaart met een welkomstgroet van de tekenaar Carvalho,
waarin de nieuwe Amsterdammer wordt uitgenodigd tot het doen van een eerste goede daad, zoals het steunen van Hulp voor Onbehuisden.
In de najaarscirculaire maakt HvO, op instigatie van bedrijfsdirecteur Marks, "op bescheiden wijze" reclame voor margarine van Blue Band.
Unilever betaalt als tegenprestatie de kosten van het drukwerk.
Bestuursvoorzitter Stheeman heeft een onderhoud met de burgemeester waarin hij een oude wens van de vereniging aankaart,
een regeling waarbij legaten e.d. kunnen worden bestemd voor kapitaalvorming. Hoewel de burgemeester hier welwillend tegenover staat,
zal het nog tot 1960 duren voordat een aparte Stichting tot Steun van HvO als bouwfonds wordt opgericht.
De vele kinderen in pleeggezinnen worden bezocht met het openbaar vervoer, wat behoorlijk tijdrovend is.
Zowel huur als aanschaf van een auto is echter te duur, men koopt voor dit doel daarom een Solex, die kost maar 450.
De begroting die HvO voor 1950 bij de gemeente indient, vertoont een tekort van 460.000.
|
|