GESCHIEDENIS
|
1950 - 1951 - 1952 - 1953 - 1954 - 1955 - 1956 - 1957 - 1958 - 1959
|
HVO-Querido ontstaat in 1997 uit een fusie tussen stichting HVO en de prof. dr. A. Querido stichting,
respectievelijk maatschappelijke opvang en geestelijke gezondheidszorg.
We bestaan uiteraard al langer: Hulp voor Onbehuisden is in 1904 opgericht, RIBW Querido is sinds 1969 actief.
Hier onze geschiedenis, momenteel tot 1969.
Vanaf 1997 kunt u door onze jaarverslagen bladeren.
Kies een decennium of jaartal uit het menu hierboven.
Klik op de afbeeldingen in de tekst voor extra informatie en illustraties.
|
1950
In zijn nieuwjaarsrede van 1950 beseft HvO-directeur Hoytink dat de eerste helft van de 20e eeuw voorbij is.
Deze eerste vijftig jaren zijn van een ongekende bewogenheid geweest en hebben tevoorschijn gebracht hoe ontstellend ook de mens zich als een 'Bestie' kan gedragen.
Op 6 januari zijn de meisjes van HvO traditioneel te gast bij het Historisch Museum.
Bestuur en directie van Hulp voor Onbehuisden staan voor de opgave de vereniging aan te passen aan de eisen van de nieuwe tijd.
Er is jarenlang nauwelijks onderhoud gepleegd aan de gebouwen, er was geen financiële ruimte voor nieuwe ideeën.
In 1950 is de begroting van HvO ongeveer een miljoen gulden. Hiervan is 450.000 subsidie van de gemeente en wordt 550.000 door de vereniging
zelf opgebracht uit verpleeggelden, ouderbijdrages, giften en legaten en de opbrengst van het oud papier.
H.K.H Prinses Wilhelmina draagt bij aan de zomervakantie van de kinderen van HvO in de Hertekolk in Epe.
In augustus doen kinderen van de Roggeveenstraat mee aan de festiviteiten rond het 40-jarig bestaan van de Zuiderspeeltuin aan de Barentzstraat.
Speciaal voor het grote aantal kinderen in de Roggevenstraat wordt de Linschotenstraat deels afgesloten voor doorgaand verkeer, het zo ontstane rustige deel wordt de 'kleuterhof' gedoopt.
Van een actie met loterij van winkeliers in de Haarlemmerstraat gaat 60% van de opbrengst naar Hulp voor Onbehuisden, dit levert ruim 3600 op.
Dat HvO de lezers van haar blad Levensstrijd hoog inschat, blijkt in het maartnummer. Men verwacht dat lezers een 19e eeuwse literaire annekdote wel weten te waarderen
en drukt het gedicht "Bedelbrief" af van Hendrik Tollens,
alleen omdat Conrad Busken Huet ooit heeft beweerd dat deze poëtische opwelling spontaan 600 gulden heeft opgebracht.
Voor het meisjestehuis Folmina wordt aanvankelijk een vervangende locatie buiten Amsterdam gezocht. Dat is niet zo vreemd, voor de oorlog zat HvO met
deze doelgroep immers in Houten. Men is onder meer in bespreking met Baarn, het gemeentebestuur aldaar heeft geen moeite met de eventuele komst van HvO,
'mits men niet een van de mooiste huizen van Baarn uitzoekt.'
Het bestuurslid mevrouw Hesselink heeft bezwaren tegen de plaats, Baarn is naar haar mening 'te oneenvoudig'.
Zij verlaat overigens in 1950 na 22 jaar het bestuur van Hulp voor Onbehuisden en wordt benoemd tot erelid der vereniging.
Na overleg met wethouder Steinmetz en Publieke Werken wordt voor het meisjeshuis een perceel gevonden aan het Oosteinde, bijna om de hoek bij
het hoofdkantoor aan het Westeinde. Voordat het restauratiewerk aan Oosteinde 30 begint, verleent HvO daar enige werken gastvrijheid aan het
bestuur van de ASVO schoolvereniging. De wethouder van Sociale Zaken is ontstemd hierin niet te zijn gekend en ontbiedt de hoofd- en de bedrijfsdirecteur
op het stadhuis die een en ander uitleggen.
In het Prinses Marijkehuis wordt een bazaar georganiseerd. Van de opbrengst schaft men voor dit huis een Steck piano aan.
In november 1950 doet mejuffrouw Romswinckel, een door HvO aangestelde psychologe, verslag van haar onderzoek bij de kinderafdeling.
De resultaten zijn niet mis. De kinderen van HvO vallen op door uniformiteit en gebrek aan levendigheid. Het personeel in de huizen is wel
van goede wil maar het ontbreekt hen vaak aan de juiste opleiding. Ook verpleegsters zijn minder geschikt omdat zij geen psychologische scholing hebben,
evenmin als doorgaans de leiding van de tehuizen.
Zij stelt voor om groepen niet langer horizontaal (naar leeftijd) in te delen maar te streven naar een verticale opbouw (van verschillende leeftijden).
In de slotbeschouwing van het jaarverslag over 1950 stelt HvO: 'De meeste nadruk blijft in ons werk toch vallen op de honderden "thuislozen",
- dit is een moeizaam gevonden woord, ongetwijfeld ontleend aan het Engelse "homeless", wat precies weergeeft, wat er hier aan de hand is - en
deze vereenzaamde jongere en oudere mensen, losgeslagen van het eigen milieu, en weinig redzaam en slecht gestart in het leven, hebben toch recht op
doeltreffende en zinvolle en ook liefdevolle hulp.'
In het algemeen merkt men op dat het probleem zich verplaatst 'van materiële nood naar geestelijke, sociale en opvoedkundige nood.'
In 1950 omvat het personeelsbestand van HvO 170 personen.
1951
In 1951 adviseren B&W van Amsterdam om het pand aan het Oosteinde 30 geschikt te maken voor het meisjestehuis Folmina.
De verhuizing van de meisjes naar dit nieuwe huis laat uiteindelijk nog tot 1954 op zich wachten.
Tijdens de bespreking van de subsidieaanvraag van HvO voor 1951 in de gemeenteraad dringt de raad er bij B&W op aan HvO zodanig te subsidiëren
'dat het voldoet aan de eisen van deze tijd.'
Het is en blijft moeilijk om voldoende geschoold personeel te krijgen. Maar toch: 'Betreffende de Mannenafdeling deelt de voorzitter mee, dat wij deze
dagen genoodzaakt waren een der opzichters te ontslaan, die bij de verpleegden geen goede reputatie bleek te hebben, en erkende verkeerd te hebben
gehandeld met een jong verpleegde.'
Het Rijk en de gemeente ruziën over de verantwoordelijkheid voor het Observatiehuis aan de Vosmaerstraat, dat nodig moet worden opgeknapt.
Zo vertoont het dak ernstige lekkage. Om de ernst van de situatie te benadrukken vragen enkele bestuursleden van HvO audiëntie aan bij de Minister van Justitie.
Tijdens dit gesprek laat Zijne Excellentie weten weliswaar welwillend tegenover de verzoeken van HvO te staan, maar hiervoor geen geld beschikbaar te hebben.
Hoytink is voorzitter geworden van een werkgroep van asieldirecteuren. Het bestuur van HvO betreurt dit, 'door zijn vele bestuursfuncties is de hoofddirecteur wel dikwijls weg.'
De wethouder van Sociale Zaken wint informatie in over een 18-jarige zwerver die inmiddels is opgenomen in het Jongenshuis van HvO.
Het bestuur reageert ongelovig, jeugdige daklozen, dat komt in Amsterdam toch niet voor?
Hoytink verklaart dat het nachtasiel regelmatig onderdak verleent aan personen beneden de 21 jaar, in 1950 waren dat er 112.
Bij het Leger des Heils heeft men dezelfde ervaring, weet de directeur.
HvO voelt behoefte aan 'een centraal punt van aanmelding voor de Amsterdamse Kinderbescherming.'
Na het plotselinge overlijden van directeur J.F.M Reekers van de Mannenafdeling, wordt ter versterking R. Bink bij deze afdeling aangesteld als sociaal ambtenaar.
De afhaaldienst werkt nog steeds met twee wagens met paard. Men onderzoekt of vervanging door een vrachtauto wellicht efficiënter is.
Men besluit twee auto's te kopen waarmee ook andere transporten voor HvO kunnen worden verricht.
In september 1951 besluit HvO de term 'ambtenaar' te schrappen en agogisch personeel voortaan 'sociaal werker' te noemen.
De GG&GD heeft bij monde van dr. Brand geklaagd over het niveau van de begeleiding in het Prinses Marijkehuis (capaciteit 156 kinderen). HvO richt een commissie op om een en ander aan te pakken.
In een ander verband vraagt de GGGD of HvO niet een ziekenzaaltje wil inrichten op de Weesperzijde waar 'alleenstaande mannen die onverzorgd zijn tijdelijk worden opgenomen.'
Elf jeugdige bewoners van het Jongenshuis kamperen deze zomer in Zuid Limburg 'vrijwel geheel van zelf bijeengespaard geld.'
In de Volkskrant
van 17 november 1951 verschijnt een beschrijving van een tafereeltje bij de politierechter met een bewoner van het Manneninternaat van HvO
in de hoofdrol. De bewoner behoort tot de ook dan al vrijwel 'uitgestorven groep van zwervers langs 's Heren wegen' aldus het huisorgaan, want
'In onze verzakelijkte en overgeorganiseerde tijd is voor deze rondtrekkende en vaak onmaatschappelijk geworden tramps vrijwel geen plaats meer.'
De rechter uit het artikel raadt de dakloze aan om naar HvO te gaan. 'Hulp voor Onbehuisden', zei de officier, 'is geen gevangenis'.
'Met permissie gevraagd', zei de landloper, 'spreekt u uit ervaring?'
De heer F.H. van Peski neemt (tijdelijk) afscheid van het bestuur van HvO, de heer R.J.M. Steins Bisschop treedt toe.
In 1951 verstrekt HvO 262.178 nachtverblijven en verpleegdagen, gemiddeld 718 mensen per dag.
1952
In 1952 wordt het nieuwe Ministerie van Maatschappelijk Werk opgericht, de KVP-er Van Thiel is hiervan de eerste minister.
Deze ziet het als taak van de overheid om de werkzaamheid van het particulier initiatief te stimuleren. Dat is op dat moment koren op de molen van Hulp voor Onbehuisden.
De staatssecretaris van Sociale Zaken, A. van Rhijn, bezoekt op 11 februari de mannenafdeling van HvO aan de Weesperzijde.
Hoofddirecteur Hoytink schrijft in het huisorgaan een recensie van prof. Dr. H. de Rooys boek Casework en maatschappelijk werk.
Hoytink is overtuigd van het belang van deze dan nieuwe, van oorsprong Amerikaanse benadering, maar waarschuwt voor 'al te enthousiast geëxperimenteer'.
De Voogdijafdeling van HvO groeit gestaag. In 1952 merkt het bestuur op dat slechts 10% van de ouders die uit de ouderlijke macht is ontzet of ontheven,
deze ooit terug krijgt. Dit komt volgens HvO omdat rechters vaak te laat ingrijpen, waardoor de situatie reeds is geëscaleerd en het feit dat rechters
nu eenmaal zeer streng zijn in het teruggeven van de ouderlijke macht.
De geplande renovatie van het Observatiehuis aan de Vosmaerstraat gaat niet door omdat zowel de gemeente als het Ministerie van Justitie elkaar als
verantwoordelijke hiervoor beschouwen.
Voorzitter Stheeman bezoekt daarom zowel de Minister van Justitie (Mulderije) als de burgemeester van Amsterdam (D'Ailly).
Het departement zegt 50 mille toe, de gemeente 30. Later in het jaar brengt de minister een onverwacht bezoek aan het Observatiehuis.
Naast alle aandacht voor de Vosmaerstraat, wordt het jongenshuis aan de Prins Hendrikkade in 1952 vrijwel geruisloos en zonder problemen verbouwd.
Mejuffrouw H.A. Boelen, bestuurslid van HvO sinds 1923, treedt af. Zij wordt opgevolgd door mevrouw C. Ph. Wassink-Van Raamsdonk.
Ook gemeentegedelegeerde dr. A. Brand neemt afscheid, zijn plaats wordt ingenomen door dr. K. Ittmann, eveneens directeur van de GG&GD.
Op 10 december organiseert Frits Rolff ten bate van de vereniging opnieuw een revue in Bellevue, deze keer onder de noemer 'Hulpschip HvO'.
Op de Mannenafdeling aan de Weesperzijde geeft de schrijver Willem van Iependaal een voordrachtsavond.
Over deze afdeling verschijnt een reportage in weekblad De Groene Amsterdammer. Uit het jaarverslag van de Mannenafdeling blijkt dat de
bewonerspopulatie in toenemende mate heterogeen van samenstelling is. Men huisvest er het 'gehele scala van de asociale mens: de debiel,
de psychopaat de drankzuchtige enz. tezamen met mensen van de meest uiteenlopende karakterstructuur. Hierbij komt nog dat de leeftijden variëren
van 20 tot 70 jaar en ouder.'
'De nazorg van de verschillende pupillen is nog geheel in embryonale toestand,' concludeert het bestuur aan het eind van het jaar,
maar men schuift de kwestie voor zich uit, 'misschien is het iets voor het 50-jarig bestaan over twee jaar?'
In 1952 verstrekt HvO 282.959 verpleegdagen, gemiddeld 775 mensen per dag. Er werken 180 mensen.
1953
Er zijn herhaalde vragen van raadsleden, onder meer van mevrouw Teeboom-Van West van de CPN, over het onderbrengen van gezinnen in het nachtasiel.
In januari schrijft Hoytink de gemeente een brief met voorstellen voor de aanpak van zogeheten onmaatschappelijke gezinnen. Zij zouden eerst zes weken onder
de hoede van HvO in het asiel moeten worden opgenomen en dan 'na een grondig onderzoek naar gehalte en structuur van het gezin' met begeleiding van HvO
in een woning in een volkswijk moeten worden ondergebracht. HvO beheert de woningen en het gezin is verplicht de dagelijkse bemoeienis van een bekwaam
gezinsverzorgster te accepteren.
In Levensstrijd van februari 1953 bespreekt Hoytink het rapport van de Commissie Eyssen (waarin ook dr. Querido zitting heeft) over deze
onmaatschappelijke gezinnen. Hij juicht toe dat de commissie stelt dat de opvang van deze gezinnen vooral een zaak van particulier initiatief zou moeten zijn.
Het bestuur maakt wel en voorbehoud. HvO is weliswaar ultimum refugium, de laatste toevlucht van onze stad, maar kan ook niet alle gevallen opnemen.
Ook in 1953 blijft het tobben met het Observatiehuis, zowel wat betreft de bouwkundige staat als het niveau van het personeel. De kwestie komt ook
in de gemeenteraad aan de orde. De wethouder kan 'entre nous' meedelen dat B&W 'op het Departement van Justitie een robbertje heeft gevochten om mogelijk
te maken dat door het Rijk een behoorlijk bedrag beschikbaar gesteld zou worden voor HVO om tot een verbetering te komen va het Observatiehuis.'
Het ministerie voelt er nu evenwel voor om de landelijke observatiehuizen naar levensbeschouwing te organiseren en heeft als eerste voorkeur een huis
van protestantse snit, terwijl Amsterdam en HvO meer voelen voor een voorziening op algemene grondslag.
In Elseviers Weekblad verschijnt een serie artikelen over het Observatiehuis van Piet Bakker, de bekende auteur van Ciske de Rat.
De schrijver heeft kritiek op het 'bajesachtige' karakter van het huis en pleit ervoor van het Observatiehuis een open inrichting te maken.
Volgens hem vetroebelt de gevangenissfeer de heldere indruk die we van de jongens zouden moeten proberen te krijgen. 'De sleutel verdringt het beeld', aldus Bakker.
Het monumentje voor het echtpaar Jonker op de binnenplaats van het Prinses Marijkehuis moet wegens verbouwing worden verplaatst naar de Roggeveenstraat.
De mannenafdeling (asiel en internaat) van HvO wordt na een enquête onder personeel en verpleegden, nu officieel de 'Weesperzijde' genoemd,
de naam die de voorziening in de volksmond al heeft. De bewoners van dit huis maken in de zomer een tweedaagse autotocht naar het noorden en oosten
van ons land. 'Een der verpleegden, die de stemming bedierf, is halverwege naar huis gestuurd.'
René Bink, sociaal werker van de Weesperzijde, treedt toe tot de redactie van huisorgaan Levensstrijd en schrijft sindsdien met grote
regelmaat en zichtbaar plezier uit het leven gegrepen portretten van bewoners en gasten van het internaat en het nachtasiel. Het zijn humorvolle miniatuurtjes
vol deemoed en empathie met de verschoppelingen der aarde.
Jaar in jaar uit vraagt hij een financiële bijdrage voor het jaarlijkse uitstapje van de mannen en doet daar vervolgens op mild ironische en luchtige wijze verslag van in het blad van HvO.
De heer H.A.J. Baanders, bouwmeester en bestuurslid sinds 1939, overlijdt. In 1955 treedt zijn zoon, eveneens architect, toe tot het bestuur van HvO.
Prinses Wilhelmina schenkt 50 gulden naar aanleiding van de paasfolder.
De oplage van het maandblad is 5500.
In 1953 verstrekt HvO 277.568 verpleegdagen en overnachtingen, dat is gemiddeld 760 mensen per dag.
1954
Op 13 januari gaat Folmina, een huis voor meisjes van 13 tot 21 jaar, officieel opnieuw open. Na het Utrechtse Houten en de Van Neckstraat
in de Amsterdamse Zeeheldenbuurt dit keer aan het Oosteinde 30.
Er vindt een studiereis plaats naar Denemarken op instigatie van de Stichting Thuislozenzorg, waarvan directeur Hoytink ook voorzitter is.
Hoytink vindt dat zuster Dekker en hijzelf het beste kunnen gaan en stuurt dus feitelijk zichzelf een uitnodiging.
In de kwestie van het Observatiehuis aan de Vosmaerstraat lijkt de kogel eindelijk door de kerk te zijn. Het huis wordt in april gesloten voor
een grootscheepse verbouwing, en Hulp voor Onbehuisden besluit om het Observatiehuis onder te brengen in een aparte stichting, waarna het nog tot 1970
zelfstandig functioneert.
Op 21, 22 en 23 mei is er een bazaar ten bate van het Prinses Marijkehuis. Hier wordt onder meer een maquette getoond die conciërge Adriaan van den Busken
samen met vijf jongens heeft gemaakt van het oude Pesthuis,
dat zoveel jaren het bastion van de vereniging is geweest.
Hoofddirecteur Hoytink voelt zich in zijn positie bedreigd door zowel de bestuursvoorzitter als de bedrijfsdirecteur. Het HvO-bestuur vindt dat
de directeur te weinig coördinerend en over het algemeen te weinig daadkrachtig optreedt. Er ontstaat een slepend conflict tussen het bestuur,
directeur Hoytink en een deel van het personeel van HvO.
"Spanningen in vereniging Hulp voor Onbehuisden," kopt Het Parool in april 1954.
Dat de stemming voorlopig grimmig blijft, blijkt onder meer uit de bestuursnotulen. Op de vraag wie de post personeelszaken behartigt, antwoordt
de voorzitter "dat dit tot de taak van de hoofddirecteur behoort, doch de heer Hoytink heeft altijd alle moeilijkheden ontlopen."
Later heet het: "De heer Hoytink heeft bij die behandeling ongeveer niets gezegd; op een nieuw punt (...) had hij slechts onzin te beweren."
Weer later: "Besloten wordt op geen van deze voorvallen terug te komen waar de heer Hoytink bij is; het helpt toch niets."
Men vermoedt dat het met de hoofddirecteur "toch nog wel eens mis zal lopen."
Het bestuur besluit daarom ontslag van de hoofddirecteur aan te vragen bij het Gewestelijk Arbeidsbureau. HvO krijgt echter nul op het rekest:
Unaniem heerst voorts de mening, dat aan de heer Hoytink bij de uitvoering van zijn omvangrijke taak, waarbij in het algemeen vermijden
van fouten ondenkbaar is, uwerzijds in het algemeen minder bewegingsvrijheid is gegeven dan op het terrein van het maatschappelijk
werk gebruikelijk en m.i. gewenst en verantwoord is, en dat daaruit voor een belangrijk deel de bestaande moeilijkheden zijn voortgevloeid.
De verhoudingen zijn verstoord en het hoofddirecteurschap wordt waargenomen door de heer Van Uden, afdelingsdirecteur van het Observatiehuis.
Nadat is besloten Hoytink ontslag te verlenen, spreekt bestuurvoorzitter Stheeman langdurig met alle afdelingsdirecties om de vereniging zo ongeschonden
mogelijk door deze crisis te slepen.
In 1954 bestaat Hulp voor Onbehuisden vijftig jaar. Dit gouden jubileum moet volgens het bestuur worden gevierd alsof er bij de vereniging niets aan de hand is.
Maar zoals onze historica Daniëlle Rigter opmerkt in haar boek In het spoor van Jonker, treffen we op de foto's van de feestelijkheden noch in de
berichtgeving daarover een spoor van de hoofddirecteur.
De officiële herdenking van het jubileum is op 28 september in hotel American. Onderdeel van het programma is een bezoek aan de Snip en Snap-revue
in Carré door bewoners en medewerkers van diverse voorzieningen.
Ook wil men uit reclameoverwegingen voor de buitenwacht op bescheiden wijze uitpakken met een jubileumfolder over het werk van HvO, een speciaal nummer
van het tijdschrift en een klein aandenken annex relatiegeschenk voor de gasten in de vorm van een asbak.
Aandacht op de radio voor het HvO-jubileum wordt geregeld door gemeentegedelegeerde Ittmann, die hiervoor zijn voorganger prof. Tuntler inschakelt, die
inmiddels ondervoorzitter is van de AVRO.
HvO beseft dat een doelstelling bij het vragen van giften tot de verbeelding spreekt. Dit mag feitelijk niet van de subsidiegever. HvO besluit de gemeente
om een principiële uitspraak te vragen in deze.
Met ingang van september 1954 verschijnt Levensstrijd in een groter formaat en een andere opmaak. Ronald Frijling, 'een kunstschilder', aldus het bestuur
en verder vooral bekend als illustrator van talloze Indische boeken, tekent voor het omslag en de meeste afbeeldingen. Het eerste nummer in de nieuwe reeks
is gewijd aan het 50-jarig bestaan van HvO en bevat bijdragen van burgemeester D'Ailly en wethouder Steinmetz van Sociale Zaken.
De laatste stelt dat de vereniging meer aan de bekendheid zou moeten doen. "De letters H.v.O. hebben voor de meeste Amsterdammers slechts
een beperkte klank, welke alleen doet denken aan nachtasyl en zwervers," aldus de wethouder.
Naar aanleiding van het jubileum stelt HvO dat "de klassieke zwerver, type flierefluiter," langzamerhand aan het verdwijnen is. Maar inmiddels heeft
zich hiervoor in de plaats "ander type mens, de thuisloze" gemanifesteerd. Het gaat hier om ontwortelden, met weinig houvast die onmaatschappelijk
(dreigen) te worden.
De mannenafdeling wil graag een psycholoog aanstellen, iemand die er al een tijdje onderzoek doet en een leerling is van prof. Duiker van de
Gemeentelijke Universiteit. De interesse van de psychologen is gewekt, want "de typen, die in het nachtasyl voorkomen, treft men nergens."
Men besluit legaten van enige omvang voortaan te vermelden in Levensstrijd. Enige bestuursleden pleiten voor een andere titel voor het blad.
Het blijft voorlopig bij suggesties, pas in 1969 verandert de naam van het huisorgaan.
Mejuffrouw Hesselink zegt haar erelidmaatschap van HvO op uit onvrede met het ontslag van zuster Schaverbeke.
De gemeente wil het huis van HvO aan de Roggeveenstraat een wandschildering schenken. Over dit kunstwerk van Hendriks hebben dr. Middelhoven
en dr. Sunier echter een vernietigend rapport geschreven en ook het bestuur is beslist niet te spreken over het ontwerp.
Hoewel de gemeente "moreel tegenover de kunstenaar reeds te ver is gegaan," besluit HvO de wandschildering zo niet te kunnen accepteren.
Over een nieuwe schets van Hendriks oordeelt het bestuur milder, al acht men "de detaillering wat zwaar."
In het decembernummer van het huisblad staat het verhaal "Opdracht" van Henri Knap.
In 1954 verstrekt HvO 264.815 nachtverblijven en verpleegdagen, dat betekent zorg voor gemiddeld 725 personen per dag.
1955
In januari 1955 starten de psychiater G.A. Ladee en de psycholoog M.M. Montessori met hun onderzoek naar wenselijkheid van psychiatrische
en psychologische hulp ten behoeve van bewoners van HvO. Het advies luidt onder meer dat HvO meer een kinderpsycholoog, een sociaal psychiaters
en vooral maatschappelijk werkers zou moeten aanstellen. Niet alleen voor de directe zorg aan bewoners, ook om medewerkers te scholen.
Daarnaast zouden de bezigheden op de afdelingen beter in 'werkteams' kunnen worden georganiseerd. De deskundigen zien voor de psychiater niet alleen werk
bij de kinderafdelingen, maar ook voor volwassen bewoners. 'Dit vooral in verband met de als een stijgende behoefte gevoelde exploratie naar aard
en vormen van de z.g. "thuislozen" bij wie het psychopathologisch aspect een niet onbelangrijk deel uitmaakt.'
De schrijvers van het rapport benadrukken dat het niet de eerste keer is dat HvO de psychiatrische zorg voor bewoners onderzoekt. Zij memoreren een verzoek uit 1948:
Aan dit verzoek van de hoofddirecteur van de vereniging aan het college van B en W werd door Dr. A. Querido, destijds leider
van de afdeling Geestelijke Hygiëne van de GG en GD de volledige medewerking toegezegd, indien diens advies zou worden gevraagd.
Het bestuur van de vereniging is niet blij met dit onderzoek. Men vindt dat in het rapport 'de zorg van HvO iets teveel in het psychische vlak wordt getrokken.'
Wethouder Steinmetz bezoekt in februari de mannenafdeling aan de Weesperzijde, het Prinses Marijkehuis aan de Stoudhouderskade en het Vrouwen- en Kleuterhuis aan de Roggeveenstraat.
Er zijn klachten over de eenzijdigheid van het menu in sommige huizen. Er wordt een functionaris van de gemeentelijke Centrale Voedingsdienst
ontboden. Het blijkt dat niet alle afdelingen de verschillende beschikbare soorten voedsel afnemen en zo tot weinig variatie komen.
Bovendien is de maaltijdverstrekking in sommige huizen, met min of meer dezelfde ingrediënten en een beetje fantasie, wel goed geregeld.
Men besluit een aantal medewerkers op kookcursus te sturen.
Hoe de taken de verantwoordelijkheden in het bestuur op dit gebied in 1955 over de sexen zijn verdeeld, blijkt uit het volgende:
'De Voorzitter concludeert dat hier op de vrouwelijke commissieleden een taak rust om het daarheen te leiden dat met de beschikbare middelen meer bereikt wordt.'
Enkele dakloze echtparen laten in een oproep aan de gemeenteraad weten het een slechte zaak te vinden dat zij bij HvO worden opgesplitst en vinden
het bovendien een schande om te worden ondergebracht met 'gederailleerden' en 'landlopers.'
In april 1955 komt deze kwestie in een rumoerige raadsvergadering van de gemeente aan de orde. Naar aanleiding hiervan verschijnen er negatieve
berichten over HvO in de pers. Hoytink verweert zich in het aprilnummer van zijn eigen tijdschrift.
'Wij betreuren het zeer, dat onze Vereniging, dat onze maatschappelijk werkers, die concreet trachten iets op te heffen van de acute en
schrijnende nood, volkomen onverdiend een veeg uit de pan kregen van de Amsterdamse pers, althans van sommige bladen.'
In een brief aan de wethouder van sociale zaken van hetzelfde jaar schrijft HvO: 'Dat ons veelzijdige werk voor zovele jongere en oudere in nood
verkerende kinderen, volwassenen en gezinnen niet aan kritiek onderhevig zou zijn is nauwelijks denkbaar. Ik men echter te mogen zeggen, dat onze
eigen kritiek op ons werk wel eens die van buitenstaanders kon overtreffen.'
B&W van Amsterdam staat HvO toe om het aandeel in de opbrengst van de Kinderpostzegelactie te reserveren voor speciale doeleinden.
Dit bedrag zal niet op de subsidie in mindering worden gebracht. De vereniging is verheugd over deze koerswijziging.
HvO probeert een secretaresse voor de hoofddirecteur te werven. Van de ruim veertig kandidaten blijkt er uiteindelijk niet één geschikt.
Een verzoek van de Weesperzijde voor de aanschaf van een frigidaire wordt door de gemeente afgewezen.
Een klaverjastoernooi bij het Prinses Marijkehuis, georganiseerd door de VARA, is geslaagd en brengt 700 gulden op.
Prinses Wilhelmina schenkt 50 naar aanleiding van de Kerstfolder.
De Sinterklaasviering voor de kinderen van het Marijkehuis, het Jongenshuis en Folmina wordt traditiegetrouw verzorgd door de School voor Reserveofficieren
van de Geneeskundige Dienst in Amersfoort.
Het Vrouwen- en Kleuterhuis aan de Roggeveenstraat wordt gesplitst in een aparte afdeling voor kinderen en een afdeling voor vrouwen, elk met
een eigen directrice en een eigen Commissie van Toezicht.
De reisbestemming van de diverse afdelingen van Hulp voor Onbehuisden is tijdens de zomervakantie van 1955 nog altijd bescheiden: Folmina gaat naar Hattum,
het Prinses Marijkehuis naar Apeldoorn, het Jongenshuis naar Putten, de Kleuterafdeling naar Hulshorts en de Mannenafdeling naar Oisterwijk.
De heer Steen, medewerker van de Voogdijafdeling, heeft zo'n 50, 60 rijlessen gehad, doch zakt telkens voor het rijexamen.
HvO besluit dat hij nog ten hoogste 10 lessen mag nemen, dat moet genoeg zijn.
Hoytink is ook voorzitter van het Verbond van Algemene Instellingen voor Kinderbescherming. HvO is lid van dit verbond, maar heeft een conflict over haar
aandeel in de opbrengst van collectes en inzamelingen. Het bestuur van het verbond wil het bestuur van de vereniging niet ontvangen.
HvO dreigt daarop uit het verbond te treden.
De relatie tussen het bestuur en de hoofddirecteur wordt er ook hierdoor op zijn zachts gezegd niet beter op.
Men verwijt Hoytink zijn 'miserabele houding' en 'spreker constateert, dat er voor de heer Hoytink geen kruid gewassen is.'
In de vergadering van 7 november 1955 lezen we: 'Het bestuur heeft geen hoop meer, dat een oplossing van de moeilijkheden ten aanzien
van de positie van de hoofddirecteur te vinden is.'
1956
Begin 1956 laat Hoytink weten definitief weg te willen bij HvO en dringt in overleg met zijn advocaat aan op een regeling.
De gemeente werkt hier om financiële redenen niet aan mee. Medio 1956 vindt Hoytink ander werk.
HvO twijfelt of men wel een nieuwe hoofddirecteur wil aanstellen. Misschien kan de vereniging ook wel decentraal worden geleid, met een
iets grotere rol voor de afdelingsdirecties en zoiets als een coördinerend secretaris?
De meeste betrokkenen, waaronder wethouder Steinmetz, menen echter dat voor HvO een krachtige, centrale leiding in de vorm van een hoofd- of
algemeen directeur onontbeerlijk is.
De afdelingsdirecties pleiten voor één centraal coördinerend opnamepunt voor bewoners van HvO.
Onder meer om te voorkomen dat het ene huis een onderbezetting heeft terwijl voor het andere huis mensen op de wachtlijst staan.
De gemeente Amsterdam stelt een Commissie voor Woningnoodgevallen in, die zich buigt over de problematiek van dakloze gezinnen.
Namens HvO heeft het bestuurslid mevrouw Wassink zitting in deze commissie. In een eerste stel bevindingen pleit deze commissie voor de
opzet van een zogeheten doorgangshuis voor gezinnen, dat door Hulp voor Onbehuisden zou moeten worden geëxploiteerd.
Voorwaarde is dat er voldoende woningen beschikbar zijn als vervolghuisvesting, anders zit en blijft het doorgangshuis zo vol.
Het bestuur acht bovendien de kans groot dat gezinnen niet meer willen vertrekken en stelt voor een maximale verblijfsduur is te stellen.
In de plannen komen echtparen in een eigen vertrek, terwijl de kinderen op slaapzalen verblijven.
In mei is de scheiding van de vrouwen- en kinderafdeling aan de Roggeveenstraat een feit. De voorziening voor kinderen wordt het Prinses
Irenehuis genoemd (koningin Juliana geeft officieel toestemming voor het gebruik van deze naam), voor de vrouwenafdeling wordt nog een naam gezocht.
De Telegraaf is aanwezig bij de opening.
Prinses Wilhelmina schenkt 50 als reactie op de najaarsfolder. H.K.H. Prinses Beatrix meldt zich eind 1956 aan als lid van de vereniging HvO.
De jeugdige bewoners van het Prinses Marijkehuis doen massaal mee aan een kleurwedstrijd van het Algemeen Handelsblad.
En met succes, maar liefst 56 kinderen winnen de prijs: pannenkoeken
eten in restaurant het Olde Binnenhofje aan het Singel.
In 1956 verblijven gemiddeld 695 mensen per dag bij HvO, in nachtverblijven en verpleegdagen is dit 44.310 volwassenen en 210.229 kinderen.
1957
Publieke Werken voert in 1957 voor 93.000 onderhoudswerkzaamheden uit aan de verschillende gebouwen van HvO.
De GG&GD stelt voor anderhalve dag per week twee psychiaters beschikbaar ten behoeve van de populatie van Hulp voor Onbehuisden.
Op 27 februari 1957 overlijdt de heer A. Volgers, directeur van de Mannenafdeling aan de Weesperzijde. René Bink volgt hem op.
In 1957 spreekt het bestuur van Hulp voor Onbehuisden ruim zestig kandidaten voor de functie van algemeen directeur. Zonder succes.
Via een gemeenschappelijke kennis komt men in contact met de dan 38-jarige O.W. (Oncko Wicher) Heldring, econoom en kleinzoon van de beroemde
predikant en pedagoog uit de Betuwe Ottho Gerhard Heldring, oprichter van de bekende Heldring-gestichten.
Na één gesprek is de zaak rond.
Heldring neemt voor het eerst deel aan de bestuursvergadering van 3 juni van 1957. In de vergadering van 1 juli datzelfde jaar merkt Heldring,
die bij indiensttreding alle panden van Hulp voor Onbehuisden heeft bezocht en met alle presidenten der afdelingen heeft gesproken,
op de behuizing van de vrouwenopvang beneden de maat te vinden. Hij staat daarmee overigens op dat moment alleen in het bestuur.
In het blad van HvO stelt de kersverse directeur zich voor. Hij vraagt zich af wat het vermogen van de vereniging is en komt uiteraard bij de waarde van de mens uit.
Hij haalt "een dichter van drieduizend jaar geleden" aan. Heldring doelt op David, de Koning van Israel, die na de nietigheid van de mens in de kosmos
te hebben geconstateerd in Psalm 8:6 zegt: "Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt en hem met eer en luister gekroond."
Heldring gaat energiek aan de slag. In september heeft hij een verslag gemaakt van zijn eerste bevindingen als directeur. In oktober wil Heldring
de vormgeving van het titelblad van het huisorgaan van HvO, Levensstrijd, nog eens kritisch tegen het licht houden.
Sommige problemen blijken van alle tijden te zijn. Na aanleiding van de sluiting van een voorziening merkt hij op: "Er is van tevoren tijd om ampel
te overwegen, wat wij met de huizen gaan doen; het is hachelijk om in deze tijd ruimte die men heeft prijs te geven."
Er verschijnt onder de naam Frits een stuk over HvO in De Telegraaf. Heldring verzekert dat deze journalist beslist niet in het nachtasiel heeft
geslapen en dat hij de inhoud van het stuk overigens zeer matig vindt.
Bink verzoekt in Levensstrijd om een TV voor de Weesperzijde. Met succes, Philips schenkt een toestel.
Van het overige geld wil men een bandrecorder (dan nog heel ingewikkeld wire-recorder geheten) en een radio kopen
voor Folmina, met batterijen, voor het zomerkamp. Deze worden ook door Philips geschonken, zodat HvO met de
bescheiden opbrengst van deze actie blijft zitten.
Op 1 juli 1957 is zuster Nauta 40 jaar in dienst van HvO.
Meisjesafdeling Folmina zoekt opnieuw een man die af en toe eens met de meisjes spreekt, want "een proef met een jonge dominee is niet geslaagd."
Naar aanleiding van de plannen voor een tehuis voor dakloze gezinnen rijst de vraag of deze zelf een bijdrage aan het verblijf moeten leveren.
"Men moet het verblijf bij HvO niet te aantrekkelijk maken door gratis logies te geven," meent gemeentegedelegeerde Van Dam, directeur van de Sociale
Dienst van Amsterdam.
Is de opvang van gezinnen wel een kerntaak van HvO, vraagt het bestuur zich af. De meeste bestuursleden vinden uiteindelijk van wel.
En zolang er plaats is worden deze mensen opgenomen, "want wij noemen ons toch Hulp voor Onbehuisden?"
Het aantal vakantiedagen voor pedagogisch personeel wordt verhoogd van 12 naar 18 per jaar. Dit getal komt niet uit de lucht vallen,
ook het Diaconieweeshuis en het Burgerweeshuis geven 18 werkdagen vakantie.
Op 11 november overlijdt oud-directeur Honing op 80-jarige leeftijd. HvO herdenkt hem als een geboren pedagoog
en leider met Heraclitus' uitspraak "strijd is de vader aller dingen" als levensmotto. Honing was 23 jaar directeur van HvO.
1958
Het jongenshuis aan de Prins Hendrikkade loopt slecht en is sterk onderbezet. HvO besluit dit huis te sluiten en de resterende jongens onder te brengen
in het Prinses Marijkehuis. Het pand blijft behouden, er wordt onderzocht of het geschikt is voor werkende jongeren die via de reclassering worden aangemeld.
Ook het bestaan van koepelinstellingen en allianties is van alle tijden. De vergaderingen van het Verbond van Algemene Instellingen zijn echter
'een paskwil' aldus Heldring. Men hoort er niets. Het zou beter zijn als onze vereniging in het dagelijks bestuur vertegenwoordigd zou zijn.
Besloten wordt 'dat de heer Heldring met een kritisch oog de komende vergadering van het Verbond zal bezoeken.'
Het Algemeen Verbond van organisaties voor kinderbescherming vraagt of HvO mee wil doen aan een te stichten opvanghuis voor jongens, een zogeheten
'centre d'acceuil'. De vereniging aarzelt. Het plan is nogal ingewikkeld en men twijfelt of er wel voldoende behoefte is aan een dergelijke voorziening.
Van 1958 tot 1968 wordt Levensstrijd, het driemaandelijks orgaan van de Vereniging Hulp voor Onbehuisden, ontworpen door grafisch vormgever Ben Bos van Total Design.
Bos ontwerpt niet alleen omslag en lay-out van het blad, maar ook de huisstijl van HvO, jaarverslagen en diverse folders en brochures.
Een lang artikel van de heer Bink, directeur van de mannenafdeling aan de Weesperzijde, getiteld 'Zeventig mannen in een autobus' over een uistapje van
daklozen wordt overgenomen door weekblad De Echo.
In het maartnummer van het HvO-blad wordt een stukje van S. Carmiggelt overgenomen. Het gaat om het verhaal Reclassering uit de bundel Honderd dwaasheden, waarin Kronkel verhaalt
van een aardige nachtelijke ontmoeting met Daandelmeyer, een vriend van de schrijver, die bij de reclassering werkt. Carmiggelt besluit het stuk met:
'En huiswaarts gaande, heb ik aan het vak van Daandelmeyer gedacht, dat zwaarder is dan stukjes-schrijven...'
De ophaaldienst van de mannenafdeling aan de Weesperzijde van HvO vindt tussen de oude spullen en het 'brokkenwerk' een tekening van de bekende kunstschilder Jan Sluijters.
Het gerenommeerde veilinghuis Frederik Muller brengt de tekening onder de hamer. Omdat het om een vroeg werk gaat is de opbrengst helaas slechts 200 gulden.
Voor de zomerfolder, die traditioneel wordt aangegrepen om geld in te zamelen vragen voor de vakantie kinderen van Hulp voor Onbehuisden, gebruikt HvO in 1958
een briefje van de zeer jonge en Amsterdamse bewoonster Marion, die onder meer schrijft: "Liefe Suster, wat sal ut fein sein as we dese somer weer na buite kenne gaan."
Deze ontwapenende oproep leidt gelukkig tot veel gulle reacties.
De penningmeester vermeldt giften van onder meer prinses Wilhelmina en prinses Beatrix.
1959
Elke afdeling van Hulp voor Onbehuisden heeft behalve een leidinggevende (directeur) en medewerkers ook nog steeds een eigen zogeheten Commissie van Toezicht, voorgezeten door een president.
Dit is ontstaan in de jaren twintig na de dood van Jonker, toen het bestuur van Hulp voor Onbehuisden een sterkere greep op de vereniging wilde krijgen.
Deze fijnmazige en wat ingewikkelde structuur is directeur Heldring reeds lang een doorn in het oog en wordt met ingang van 1 januari 1959 afgeschaft. De voornaamste reden hiervoor is dat het werk en daarmee de organisatie teveel
uit losstaande onderdelen dreigt te gaan bestaan, terwijl "HvO wil handelen vanuit één conceptie."
Heldring ziet een toename van het aantal ouden van dagen in de mannenafdeling aan de Weesperzijde. Hij pleit daarnaast voor het oprichten van een aparte voorziening voor jongere thuislozen.
In het HvO-blad tekent redacteur René Bink het trieste verhaal op van Max D. die als zoon van een joodse diamantbewerker is gebroken door de Tweede Wereldoorlog en inmiddels een
goede bekende is van diverse dak- en thuislozenvoorzieningen, waaronder Binks eigen internaat annex nachtasiel voor mannen aan de Weesperzijde.
In het julinummer van Levensstrijd verschijnt onderstaande foto van Ed van der Elsken.
HvO maakt in het eerste nummer van het kwartaalblad de oprichting van een nieuwe afdeling voor mannen aan de Prins Hendrikkade bekend, in het pand waar eerder het jongenshuis was gevestigd.
Het gaat om mensen van wie 'sommigen uit de gevangenis komen, anderen een langdurige periode van werkloosheid achter de rug hebben en weer
anderen misschien verpleegd zijn geweest in een psychiatrische inrichting.'
Op 21 oktober onthult minister van justitie A.C.W. Beerman de gevelsteen van dit het huis, De Vreede genaamd, een zogeheten 'huis der halve vrijheid'.
De steen in kwestie heeft volgens mevrouw Van Eeghen van het gemeentearchief aan een huis op de Overtoom bij de Gasthuisbrug gezeten en is waarschijnlijk bij
Hulp voor Onbehuisden terechtgekomen toen men nog in het nabije Oud Buitengasthuis aan de Tweede Constatijn Huygensstraat zat.
Op advies van de Amsterdamse gevelsteenspecialist H.W. Alings wordt de steen van De Vreede opnieuw geverfd.
Door de bouw van de Nederlandse bank aan het Frederiksplein moet HvO zowel een andere plaats vinden voor Folmina,
en tehuis voor 24 meisjes aan het Oosteinde als voor het hoofdkantoor aan het Westeinde. Als hoofdkantoor biedt de gemeente het kantoor
van de voormalige Luycks zuurwarenfabriek aan de Weesperzijde aan.
De gemeente wil statistische gegevens over bewoners van Hulp voor Onbehuisden. Wat is de oorzaak van de opname?
Is de persoon een zogeheten "blijver" of een "trekker"?
Het verwerken van de gegevens gaat op een voor de jaren vijftig uiterst moderne manier.
Heldring meldt dat de gegevens op kaarten worden aangetekend en door de gemeente met Hollerith machines (een voorloper van de computer) worden verwerkt.
Directeur Heldring en bestuursvoorzitter Stheeman worden in 1959 ontvangen door Koningin Juliana bij haar bezoek aan Amsterdam.
Het gesprek duurt twintig minuten. Koningin Juliana toont veel belangstelling voor het werk van de vereniging en is vooral geïnteresseerd
in de problemen van dakloze gezinnen en in De Vreede, de nieuwe voorziening van HvO aan de Prins Hendrikkade.
Op 17 november verschijnt er een artikel in de rubriek "Gehoord & Gezien" van P.W. Russel (een succesvolle column op pagina twee die van 1953 tot 1989 loopt) van
het Algemeen Dagblad over het Prinses Marijkehuis van HvO aan de Stadhouderskade.
De journalist maakt melding van het feit het tehuis een uitgebreide speelgoedtrein heeft gekregen van de Vereniging voor Modeltreinbouwers, maar dat de 130 kinderen desondanks niet omkomen in het speelgoed.
De krant doet dan ook een oproep aan de lezers om een bijdrage te leveren.
Directeur C.H. Teutscher van het Marijkehuis zegt dat de particuliere steun door het subsidiestelsel tot het minimum is gereduceerd.
Desalniettemin vraagt hij voor de jonge bewoners kinderboeken ten geschenke. Men mikt op 250 boeken.
De oproep valt in goede aarde, reeds de volgende dag kan hetzelfde Algemeen Dagblad
berichten dat er al 172 kinderboeken binnen zijn.
|
|